Is dit St. Louis of Oekraïne?

Sombere flatgebouwen, barbiepoppen en vestigingen van McDonald's vind je overal. Alle steden in de wereld beginnen op elkaar te lijken. In Amerika groeit het verzet tegen het oprukken van de wereldwijde monocultuur.

In The New York Times stond onlangs een opvallende advertentie, over twee volle pagina's, tegen het oprukken van de Global Monoculture. Naast de tekst was een reeks foto's afgedrukt. Een luchtopname van een eenvormige buitenwijk (`Is dit New Jersey of Caracas?'), een afvoerpijp voor afvalwater (`Is dit Arizona of Mexico?'), volle schappen in een supermarkt (`Is dit India of Londen?'), een somber flatgebouw (`Is dit St. Louis of Oekraïne), het merkteken van McDonald's (`Ieder antwoord is goed').

Volgens de adverteerders is de ,,culturele diversiteit'' in de wereld snel aan het verdwijnen. ,,Alle steden in de wereld worden identiek: auto's, lawaai, smog, geweld, fast food, McDonald's, Nikes, Levi's, barbiepoppen en Amerikaanse tv'', zo schrijven ze. De belangrijkste oorzaak is voor hen duidelijk: de economische globalisering en instelllingen als de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Wereldbank die de grote ondernemingen faciliteren. ,,Diversiteit is niet hun eerste waarde, efficiency is dat wel.''

De advertentie verscheen niet voor niets aan de vooravond van de mislukte WTO-bijeenkomst over handelsliberalisering. De gewelddadigheden tijdens de conferentie in de straten van Seattle waren het werk van een kleine minderheid. Maar de gebeurtenissen hebben het wantrouwen tegen globalisering onderstreept, vooral in de VS.

Publicist Robert Wright, die in 1994 roem oogste met het boek The Moral Animal, constateerde twee jaar geleden in een artikel voor het on-line magazine Slate (`The new politics of globalization') hoe de visies op globalisering zijn verschoven sinds de ineenstorting van het communisme. De `linkse' idealisten van ruim tien jaar geleden – Wright hoorde er volgens eigen zeggen zelf toe – pleitten als `one-worlders' voor een krachtiger Verenigde Naties en zelfs voor een `wereldparlement'. Nu zien dezelfde groepen het vervagen van de grenzen van de natiestaat als problematisch en zijn het de `free-marketeers' die het heil van een grenzeloze wereld preken.

Een voor de hand liggende reden voor het stuivertje-wisselen is de dubbele betekenis van `one-worldism'. De linkse idealisten van weleer wilden tijdens de Koude Oorlog de natiestaten aan banden leggen om daarmee de wereldvrede te bewaren. De `free marketeers' zien in de huidige globalisering het heilzame mechanisme om de natiestaten ervan te weerhouden de vrije markt te frustreren. En daarmee is dan weer de volgens Wright ,,provincialistische'' houding van zijn vroegere idealistische vrienden verklaard.

Het is verhelderend om vast te stellen dat de afgelopen jaren nog een interessante verschuiving van visies heeft plaatsgevonden. De warmste pleitbezorgers van handelsliberalisering zijn niet meer te vinden in de industrielanden, maar in de opkomende economieën en ontwikkelingslanden. Directeur Fred Bergsten van het Institute for International Economics, de gezaghebbende denktank in Washington, constateerde na een bezoek aan Azië dat er ondanks de crisis van de afgelopen periode nauwelijks iets was te bespeuren van een protectionistische tendens.

De reden is simpelweg dat niemand daar voordeel in ziet. Zo presenteerde chef-econoom van de Wereldbank voor Azië, John Williamson, onlangs voor de denktank van Bergsten een studie over Bangladesh: dankzij economische liberalisering was de jaarlijkse productiegroei in de jaren negentig met 6,6 procent ruim twee keer zo hoog als in de jaren tachtig.

De meest zorgelijke protectionistische tendens doet zich volgens Bergsten momenteel in de VS voor. Uit een recente opiniepeiling van The Wall Street Journal blijkt dat Amerikanen zeer verdeeld denken over handelsliberalisering. Die verdeeldheid valt niet toevallig samen met de hoogte van het inkomen. Zo meent 54 procent van de Amerikanen met een jaarinkomen van minder dan 20.000 dollar dat de VS zijn geschaad door vrijhandelsakkoorden. Van degenen die meer dan 50.000 dollar per jaar verdienen, denkt slechts een kwart er zo over. De vraag is of dat zo blijft als Wall Street crasht.

De enquête-uitslag is niet verwonderlijk. Juist in de VS zijn de inkomensverschillen de afgelopen 25 jaar flink toegenomen, waarbij scholing een belangrijke rol speelt. Voor minder goed opgeleiden is het reële uurinkomen zelfs gedaald. Volgens topeconoom Paul Krugman is handelsliberalisering (lees: import uit lage-lonenlanden) maar een klein deel van de verklaring. Een belangrijker oorzaak is de technologische ontwikkeling, die veel laag geschoolde arbeid overbodig maakt. Krugman voegde er onlangs een interessante these aan toe. Indien het aantal goed opgeleide werkers boven een kritische grens komt, neemt de inkomensongelijkheid verder toe. Dat komt omdat de beschikbaarheid van geschoolde werkers voor ondernemers een prikkel is om technologische vernieuwingen nog sneller door te voeren.

Grote loonflexibiliteit en een gebrekkig sociaal stelsel hebben in de VS voor een lage werkloosheid gezorgd, maar tegelijkertijd is het maatschappelijk ongemak over globalisering aangewakkerd. Vandaar dat verschillende economen na de mislukking van de WTO-conferentie in Seattle suggesties hebben gedaan voor verbetering van sociale vangnetten.

Alleen al door de voortdurende daling van transport- en communicatiekosten zal aan economische globalisering geen eind komen. Econoom Bergsten becijferde dat bestaande vrijhandelsarrangementen al meer dan 60 procent van de wereldhandel in goederen en diensten voor hun rekening nemen.

Dat alles maakt de door `Seattle' onderstreepte kwestie van de relatie tussen democratie en vrije markt nog dringender. De globaliseringsagenda is door nieuwe kwesties als milieu, voedselveiligheid, mededinging, belastingvlucht, sociale zekerheid, culturele diversiteit, ja zelfs maatschappelijke veiligheid en geborgenheid, niet meer alleen een internationale, maar meer dan ooit ook een binnenlandse agenda.

Inmiddels wordt vrij algemeen erkend dat `marktfundamentalisme' een legitimiteitscrisis bij zowel nationale overheden als internationale instellingen heeft veroorzaakt. Toch wachten nijpende vragen over `national and global governance' aan het begin van het nieuwe millennium nog op een passend antwoord.

Daarbij blijft het uitroeien van armoede in de wereld de grootste uitdaging. Deze uitdaging werd afgelopen jaar het meest indringend verwoord in een brief aan de Europese leiders van de Guinese scholieren Koïta Yanguine (14) en Fodé Tounkara (15), die als verstekelingen doodvroren in het landingsgestel van een Sabena-vliegtuig. ,,Wij riskeren ons leven, omdat we te veel lijden en omdat we u nodig hebben om te strijden tegen de armoede en de oorlog in Afrika.''