Hollands glorie

VOOR LIBERALEN in Nederland begon de twintigste eeuw onder een somber gesternte. Nu staat het liberalisme in zijn zenit. Dat is in veel Westerse landen het beeld. Maar in Nederland is de omslag harder gegaan dan elders.

Nadat Thorbecke de basis voor de constitutionele monarchie en een daarop geënt bestuurlijk bestel had gelegd, moesten de liberalen aanzien hoe anderen er met de buit vandoor gingen. Onderwijspacificatie en algemeen kiesrecht schiepen een moeizaam klimaat voor de aartsvaders van burgerlijk Nederland. Vanaf 1917 domineerden de confessionelen. Sinds de Tweede Wereldoorlog kregen zij, zich omvormend tot christen-democraten, concurrentie van sociaal-democraten. De liberalen moesten genoegen nemen met een minderheidspositie binnen het systeem.

Nu daarentegen lijkt het nog slechts een kwestie van tijd voordat de eerste liberale premier sinds Cort van der Linden op het bordes zal staan. De vraag is slechts of hij/zij het partijboekje van de VVD of van de PvdA op zak heeft. Het eerste lijkt het waarschijnlijkst.

Deze ontwikkeling in amper honderd jaar is welhaast revolutionair. Het is nog maar vijftig jaar geleden dat de politieke cultuur hier muurvast zat. Na het mislukken van de PvdA als brede volkspartij, de oprichting van de VVD en de niet geslaagde `doorbraak' in confessionele gelederen, duurde het tot 1994 voordat de christen-democraten uit het Catshuis verdwenen. Op zichzelf was deze wisseling van de wacht het resultaat van behendig manoeuvreren van politici die een eind wilden maken aan een 75-jarige traditie. Maar zonder fundamentelere veranderingen was dat niet gebeurd.

DE WORTELS daarvoor liggen in de jaren zestig. Tot 1940 was Nederland een introverte natie. Na 1945 veranderde die houding slechts schoorvoetend. Weliswaar sloot Nederland zich aan bij de NAVO, deed het uiteindelijk afstand van Indië en werd het een trouwe bondgenoot van de Verenigde Staten, die de mondiale rol van Groot-Brittannië hadden overgenomen. Maar in eigen huis vierde de kleinsteedsheid hoogtij. In de jaren zestig kwam daaraan een einde. Omdat Nederland van ver kwam, was dit een kentering.

In retrospectief worden de onaangename verschijnselen daarvan op het conto van de generatie '68 geschreven. Onmiskenbaar heeft de combinatie van on-Nederlands enthousiasme en klassiek Hollands plooien tot ontsporingen geleid. Door het successievelijk sneuvelen van de traditionele hoekstenen van de maatschappij zijn veel dijken overspoeld. Met name het woord `gedogen' heeft een spoor getrokken, dat te pas en vooral te onpas wordt aangeroepen als bestuurders het ook niet meer weten.

Dat is echter de helft van het verhaal. De andere kant van de medaille is evenzeer onloochenbaar. Nederland had deze periode nodig om zich een wereld- en mensbeeld eigen te maken dat lange tijd aan ons was voorbijgegaan. Gechargeerd geformuleerd: de extroverte jaren tachtig (opkomst van `yuppies') en negentig (hun massificatie) waren niet mogelijk geweest zonder de jaren zestig. Meer dan menig andere welvaartsstaat op het oude continent kan de Nederlandse samenleving zich spiegelen aan de Amerikaanse.

MAAR NU WIJ in de vaart der volkeren meedeinen, doemen andere tegenstellingen op. Het opengooien van Nederland heeft namelijk een schaduwzijde die minder graag onder ogen wordt gezien. Het liberalisme wordt steeds vaker verkeerd begrepen, in culturele en politieke zin. Materieel succes is een morele categorie geworden. Wie geen ster is of niet vermogend, mag jaloers zijn maar heeft dat grotendeels aan zichzelf te wijten. De spreekwoordelijke hypocrisie van dit land, waar geld altijd iets was om te hebben en niet om over te praten, begint plaats te maken voor exhibitionisme. Staatsmanschap en politiek, traditiegetrouw serieuze bezigheden, verdampen intussen in een maatschappij die van netwerken aan elkaar hangt.

De aandacht voor het oorspronkelijk object van het liberalisme (de burger) is daarom tanende. Nederland koestert het idee dat, als die bijna 16 miljoen mensen `zichzelf' kunnen zijn, een nieuwe Gouden Eeuw onvermijdelijk is. De financiële macht is immers ongekend. Hét vraagstuk van nu (segregatie langs sociaal-culturele scheidslijnen) wordt derhalve graag budgettair benaderd.

Liberalen hadden niettemin ook een emancipatoir doel en zelfs een moraal: het scheppen van voorwaarden voor vrije burgers, en wel volgens het uitgangspunt dat ieders vrijheid ophoudt daar waar die van de buurman begint. Dat is een eis die alleen kan worden afgedwongen als je iets te bieden hebt. Zo niet, dan zou de libertaire vrijblijvendheid waaraan zo velen zich nu warmen sneller dan verwacht in haar tegendeel kunnen verkeren.