Geplant met de goede slag

Ik moet veertien jaar zijn geweest, toen ik bij mijn bezoeken aan de openbare bibliotheek af en toe ook voor de planken met poëzie belandde. Ze oefenden een zekere aantrekkingskracht op me uit. Was het vroegrijpe behoefte aan wijsheid, een substituut voor religie, verlangen naar bondigheid of gewoon puberaal gedweep met half begrepen tovertaal en mooie formuleringsgrillen? Alles tegelijk denk ik. Blijkbaar was ik ontvankelijk voor het genre. Blijkbaar had ik ook al meteen voorkeuren. Ik herinner me althans de teleurstelling waarmee ik een verzamelbundel van Adriaan Roland Holst doorbladerde, en ik voel me nog mijn schouders ophalen bij C. Buddinghs Gedichten 1938–1970.

In die toestand van afwachtende onbevangenheid las ik in 1974 in Vrij Nederland een recensie van Rein Bloem over een mij onbekende dichter, ene Chr.J. van Geel, van wie de bundel Enkele gedichten was verschenen. Bloem besprak hem met de nodige reserve, maar toch met veel aandacht voor de sterke kanten – ruim voldoende voor mij om geraakt te worden.

Voorlopig leek alles aan deze dichter mij wel te bevallen: helder, precies, scherp, licht, humoristisch, en daarbij dan ook nog eens voorzien van een royale scheut droom en fantasie. Een vreemde combinatie van analyse en surrealisme, zou je kunnen zeggen, maar dat las ik pas later. Mooi omslag ook: een aan de randen verbrand jeugdportret. En het `onderwerp' sprak me ook aan: alledaagse natuur, een eigen intieme wereld. Het was geen natuurlyriek en het waren ook geen ik-verzen, maar iets heel anders, en bijzonders, waar ik zeker toen nog geen naam voor wist. Het waren wel degelijk ook portretten van de ziel, maar dan bekeken met de ogen van een buitenstaander, leek het wel. Er viel vast van alles over te zeggen, maar ik vond het in de eerste plaats gewoon mooi: helder, vrolijk, fris, verliefd.

Het was een wonderlijke sensatie, die ik nooit meer in zo'n zuivere vorm heb beleefd. Enkele gedichten was de eerste recente poëziebundel die ik las – gevolgd door enkele andere: van Van Geel zelf, al snel ook van geestverwante dichters. Enkele gedichten was voor mij het begin van alles, van een hele nieuwe wereld. Geen kiem, geen stekje, geen proefstruik, maar meteen een hele tuin, met `een goede plantslag' geplant, zoals dat zo mooi heet in `Tuin': `Hoe met een goede plantslag midden/ in jou te planten met een list/ een tuin als daar een plaats voor is,/ het licht en daar de lente van'. Tuin, licht, lente – die vind ik in bijna in al zijn regels terug. Een geest van verliefdheid, en een groot gevoel van onbevangenheid, alsof het allemaal elk moment weer opnieuw kan beginnen.

Chr.J. van Geel, Enkele gedichten (1974), verschenen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep. De bundel is opgenomen in zijn Verzamelde gedichten (Van Oorschot).