Geen grappen, veel zelfvertrouwen

Steve Martin is een komiek die eerder vrolijk is dan grappig. Toch lach je. Zijn vrolijkheid is aanstekelijk.

Op een avond in de jaren zeventig ging Steve Martin na afloop van een optreden met driehonderd mensen naar McDonalds. Hij bestelde driehonderd hamburgers.

En één portie Franse frietjes.

De anekdote roept een verhaal van Groucho Marx in herinnering, die in een restaurant naar de kaart keek en tegen de ober zei: ,,Yes, all that and a cup of coffee.''

Het is net als met die mop over een blinde die langs een haringkar loopt. In de jaren zeventig was het Jules de Corte die `dag dames' zei, in de jaren tachtig een Amerikaanse toerist en `hi girls'. De mop is gemoderniseerd. In een nog nieuwere, ingewikkeldere versie hebben vis en vrouw van plaats gewisseld. In een trein trekt een vrouw om ik weet niet meer welke reden haar broekje uit en de blinde staat op. ,,Ha, Scheveningen.''

Steve Martin is een komiek die je vaak zo doet afdwalen. Een anekdote over hem roept vaker een anekdote over iemand anders in herinnering dan nog een verhaal over hem. Martin is eerder middelpuntvliedend dan -zoekend. Het is een voor een komiek merkwaardige trek. Het heeft Martins succes niet in de weg gestaan. Al meer dan twintig jaar is `Steve Martin' een tamelijk solide merk, een Pepsi Cola onder de komieken, die door recente flops als Sgt. Bilko en The Out of Towners niet gedeerd werd. Steve Martin is beroemder dan zijn films. ,,Mensen lachen ook als ik iets serieus zeg'', klaagt Martin in een documentaire die de BBC twee maanden geleden over hem uitzond. Toch is Martin op zijn best eerder vrolijk dan grappig. Aan het begin van Roxanne, een van zijn mooiste films, loopt Martin over straat en hij zingt over alles wat hij doet: ,,I'm walking down the street tralala, now I'm stumbling, but I'm ok, I'm walking down the steps because it's easier than walking up the steps.'' Maar Martins vrolijkheid is wel zo aanstekelijk dat je om alles wilt lachen. Zijn lichaam is net zo veelzeggend als zijn tekst; Martin is een man die met zijn benen kan acteren. Soms wordt de acteur ook door het medium geholpen. In Parenthood speelt hij de vader van een jongetje op wiens verjaarspartijtje de bestelde cowboy het laat afweten. Martin speelt dan zelf maar cowboy, met twee badmatjes als leren beenbeschermers om zijn broek geknoopt. Dat het optreden een succes is, is volledig te danken aan de regisseur, die de kinderen Martins cowboy leuk laat vinden. Het is in deze scène de reactie van het publiek die de kijker moet overtuigen, niet het optreden van de acteur zelf.

Elvis Presley (1935-1977) leefde nog toen Steve Martin (1945) succes begon te krijgen. Na afloop van een optreden ging Presley met Priscilla naar de kleedkamer van de opkomende stand-up comedian. Presley vond dat Martin een oblique, dubbelzinnig, gevoel voor humor had. Zou Martin blij zijn geweest met dat compliment? Voor de hand ligt het niet. Martin was toen eerder een komiek die zegt waar het op staat. Soms schreeuwde hij het zelfs. `I'm a wild and crazy guy' was in die jaren zijn motto. Maar een passend bijvoeglijk naamwoord is niet eenvoudig te verzinnen. Op de Steve Martin compilatie van het befaamde Amerikaanse tv-programma Saturday Night Live waait de komiek alle kanten op. `Een professionele komiek zonder grappen maar met veel zelfvertrouwen', zo heeft Martin zichzelf in het begin van zijn carrière eens omschreven. Vaak lijkt dat zelfvertrouwen ook aandoenlijk gespeeld. Het personage van Martin doet altijd een paar dingen vlak na elkaar, is eerst verlegen en kwetsbaar en dan opeens overmoedig, slalomt van opgewekt naar weemoedig en snel weer terug. In films speelt Martin ook vaak geen personage uit een stuk. In Martin-klassiekers als The Jerk en L.A. Story, maar ook in draken als Father of The Bride en The Out of Towners passen zijn personages zich vaak aan de omstandigheden aan. En dan nog lijkt het soms alsof de acteur er niet helemaal bij is. Naar aanleiding van zijn nieuwste film, Bowfinger, schreef het Internettijdschift Salon Magazine: ,,Martin drukt zich misschien eleganter uit dan Bobby Bowfinger, maar de twee delen wel een soort vaagheid of afwezigheid die Martins hele carrière als acteur en schrijver plaagt. Geen van beiden lijkt ervan overtuigd dat hij iets te zeggen heeft, of dat wat hij zegt het waard is gezegd te worden.'' Toch is deze eigenschap ook goed voor een aardige constante in Martins optreden. Martin zegt zijn oneliners vaak niet tegen zijn medespelers. Hij spreekt ze uit als een man die ruzie met zijn vrouw heeft en achter haar rug nog een vileine opmerking sist. Zo maakt hij van het publiek een goede verstaander, op zijn hoede voor elke kwinkslag.

Tam

In de BBC-documentaire, waarin veel collega's aan het woord komen, zegt John Cleese dat Martin rollen in tamme films als Father of the Bride en Housesitter voor het geld aanneemt. ,,You need a little money to buy Hoppers'', zegt Cleese. Martin is een bekend kunstverzamelaar. Behalve werk van Edward Hopper bezit hij onder meer Picasso, Diebenkorn, Hockney en Richter. Toch maakt Martin over kunst vaak flauwe grappen, onder meer in L.A. Story. In die film staat hij met een groepje mensen voor een schilderij in een museum. Hij beschrijft wat hij ziet, een vrouw wier borsten bijna zichtbaar zijn, een groep mensen bij een deur et cetera. Als Martin wegloopt krijgen wij het schilderij te zien. Het is een abstract doek.

Martin zegt in de BBC–documentaire zelf over Father of the Bride: ,,Middelmatig is wat we zijn en wat we graag zien.'' Martin schat dat van de 26 films die hij gemaakt heeft er ongeveer twaalf vrij goed zijn. Hij is er tevreden over. Aan de films waaraan hij zelf heeft meegeschreven, ligt vaak een sterk idee ten grondslag. In Dead Men Don't Wear Plaid speelt Martin een detective uit de jaren veertig die dankzij knappe montage samen lijkt te spelen met sterren uit die tijd als Humphrey Bogart en Cary Grant. In All of Me moet Martin zijn lichaam delen met de ziel van een overleden vrouw. In The Man Who Had Two Brains zoekt hij een lichamelijk onderkomen voor een stel hersens waarop hij verliefd is geworden. Ook Bowfinger heeft een ijzersterk uitgangspunt: een mislukte regisseur maakt een film met een grote ster in de hoofdrol, alleen weet de ster zelf dat niet. Acteurs en crew overvallen hem in restaurants, winkels en de oprijlaan van zijn huis. Het is een milde parodie op de gekte en de dromen van Hollywood.

De komiek met wie Steve Martin het best te vergelijken valt is Woody Allen, al heeft Martin zichzelf nooit geregisseerd. Beiden houden van diepzinnige én oppervlakkige grappen, observeren de werkelijkheid tot in door niemand anders opgemerkte details en doen graag dingen die in die werkelijkheid niet kunnen. Woody Allen praat met het aan de hemel boven New York verschenen gezicht van zijn moeder, Steve Martin communiceert met een verkeersbord op de freeway van Los Angeles. Voor veel films van Martin kun je in het oeuvre van Allen een tegenhanger vinden. Dead Men Don't Wear Plaid lijkt op Play It Again, Sam, L.A. Story op Manhattan. De jaartallen maken Allen origineler: 1972 en 1979 (Allen) tegenover 1982 en 1991 (Martin). Beiden publiceren stukken in The New Yorker, die van Martin zijn onlangs gebundeld in Pure Drivel, pure leuterpraat. Net als Allen aan het begin van zijn carrière, schrijft Martin nu ook toneelstukken. Zijn stuk Einstein and Picasso at the Lapin Agile, waarin hij de twee helden elkaar aan het begin van hun carrière laat ontmoeten in een Parijs café, staat in Amerika op het repertoire van menig toneelgezelschap. Je zou Martin een Californische Allen kunnen noemen, wiens kijk op het leven vreugdevoller is dan die van de New Yorker. De vergelijking tussen de twee valt voor mij in het nadeel van Martin uit. Maar ook over mindere goden, zoals Georges Braque of Niels Bohr, zijn aardige toneelstukken denkbaar.

`Bowfinger' is te zien in bioscopen door het hele land.

Steve Martin: `Pure Drivel'. Uitg. Viking, 118 blz, prijs f41,75.

Zijn lichaam is net zo veelzeggend als zijn tekst