Eiffels toren is een zetpil vol gaten

`Eindelijk is de wereld verlost van de piano! O Vooruitgang, is het mogelijk dat ge nog wordt beschimpt! O Techniek, bezielende en zuiverende zon, is er nog iemand die uw zegeningen niet onderkent! (-) De conversatie, zo lang overstemd door gepingel, kan opnieuw haar charmes tentoonspreiden. (-) Verdwenen zijn de pianoleraressen. (-) De enige die erom heeft getreurd, is de pianofabrikant, nu de versmade kweltuigen zijn omgebouwd tot buffetten of, beter nog, opgestookt.'

Blijkens deze in 1883 geschreven woorden, verheugde tekenaar en schrijver Albert Robida zich er al bij voorbaat op dat het lot van de piano in de twintigste eeuw bezegeld zou zijn. Het is een fragment uit zijn roman Le vingtième siècle, waarin Robida (een volledig in de vergetelheid geraakte tijdgenoot van Jules Verne) een aantal voorspellingen doet omtrent de twintigste eeuw. Zo zal de muziek `overal elektrisch worden aangevoerd' en vindt het personenvervoer via de lucht plaats, terwijl alle goederen via het `ondergrondse handelsbuizenpostsysteem' bezorgd worden. Ook zullen, in de toekomstblik van Robida, door heel Parijs telefoneerpalen staan, met een kastje waarvan abonnees tegen betaling een sleutel krijgen, zodat ze op iedere straathoek kunnen bellen.

Robida was niet de enige met optimistische en niet helemaal uit de lucht gegrepen verwachtingen van uitvindingen in de nieuwe eeuw. Dat blijkt uit De wereld verandert te weinig, een verzameling aardige, vaak amusante, journalistieke Franse teksten over de vorige eeuwwisseling, samengesteld en vertaald door acht vertaalsters Frans, die, verenigd in het Atelier de Traduction d'Amsterdam, een proeve van hun kunnen geven.

Maar enkele van de gekozen teksten zijn daadwerkelijk geschreven in of om en nabij het jaar 1900. De tirade waarin Joris-Karl Huysmans (auteur van het beroemde boek A rebours, 1884) van leer trekt tegen de Eiffeltoren, (`deze zetpil vol gaten, die wanstaltige volière'), dateert al van 1889. In dat jaar werd de honderdste verjaardag van de Franse Revolutie gevierd met de opening van de Wereldtentoonstelling. Als symbool van de Vooruitgang was de Eiffeltoren natuurlijk een bijzonder omstreden object en Huysmans scheldt dan ook flink op die `geverfde mandfles, afgesloten met een dakruiter die op een stop met een druppelaartje lijkt'. In tegenstelling tot een aantal tijdgenoten zag hij er niet meer in dan een ode aan het kapitaal dat, zo vreesde hij, de nieuwe tijd zou beheersen. In haar voorwoord schrijft Mirjam de Veth dat Guy de Maupassant, ook een fel tegenstander, vaak in het restaurant van de toren at. Het was de enige plek in Parijs waar hij hem niet zag.

De vertaalde teksten van Jean Cocteau, Paul Valéry, Henri Calet en Paul Morand zijn van veel later datum. Geschreven enkele decennia na de eeuwwisseling, zijn het veelal persoonlijke herinneringen of bespiegelingen over het thema van de vooruitgang. Het vooruitgangsoptimisme, kenmerkend voor La Belle Epoque, lijkt aardig getemperd. Alleen Calet spreekt in het fragment uit zijn autobiografische roman Le tout sur le tout nog laaiend enthousiast over de uitvinding van de wasbare, voordelige celluloid boord. Tevreden noteert hij: `Telefoon, watercloset, elke dag vlees op tafel, de broekrok, de klakhoed, het korsetlijfje, kopen op afbetaling, jiu-jitsu. Een aangenaam leven.'

De mooiste, meest literaire tekst uit de bundel is ongetwijfeld die van dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Jean Cocteau. In een fragment uit Portraits-Souvenir uit 1935 roept Cocteau in een soort toestand tussen slapen en waken herinneringen op aan zijn kindertijd (`mijn Duitse kindermeisje Joséphine') en zijn tieneridool (music-hall ster Mistinguett). De beelden die op zijn netvlies verschijnen nemen de vorm aan van ononderbroken, poëtische associaties en lijken in die zin op de teksten van de `écriture automatique', die surrealisten produceerden onder invloed van slaap, drank of verdovende middelen.

Deze tekst staat misschien het verste af van het thema van de eeuwwisseling. Maar hij stijgt uit boven het voornamelijk anekdotische karakter van de meeste andere fragmenten. In februari 1900 schreef literatuurcriticus Rémy de Gourmont dat hij betwijfelde of `er veel gezonde mensen zijn bij wie de komst van deze nieuwe eeuw emoties heeft losgemaakt.' Het lijkt erop dat hij gelijk had.

Alphonse Allais, Paul Morand, Joris-Karl Huysmans, Jean Cocteau e.a.: De wereld verandert te weinig. Vertaald door Atelier de Traduction d'Amsterdam. Uitg. Voltaire, 92 blz. ƒ24,50