Een utopie zonder genade

H.G. Wells had in 1901 een helder beeld van wat de twintigste eeuw zou brengen: geen aards paradijs of buitenaards bezoek, maar een vernietigende combinatie van agressie en techniek. Aan het eind van de eeuw kunnen we de balans opmaken. Hij had gelijk.

Begin deze maand stond in de kranten het bericht dat de Mars Polar Lander, de Amerikaanse ruimtesonde die een zachte landing op de zuidpool van Mars had moeten maken, in de ruimte is verdwenen. De reactie was er niet een van schrik en ontzetting. Voor zover ik weet, verdacht niemand de Marsbewoners van diefstal en ook was er niemand die in dit verdwijnen de voorbode meende te zien van een aanval op de aarde, zoals beschreven in H.G. Wells' The war of the worlds uit 1898.

Toen Orson Welles in 1938 van deze beroemde roman een hoorspel maakte, was dat in de Verenigde Staten nog aanleiding tot massale paniek. Tegenwoordig lijkt zoiets uitgesloten. De kosmos heeft haar eigen raadselen, die groter en vooral anders zijn dan de angstaanjagende verzinsels van de science fiction. Vergeleken met de werkelijkheid zijn die verzinsels op een bijna geruststellende manier antropomorf, ook al bestaat de verzonnen dreiging from outer space doorgaans uit een levensgevaarlijke combinatie van techniek en agressie. We zijn er kennelijk aan gewend geraakt, want als iets de afgelopen eeuw heeft gekenmerkt, dan is het wel deze - maar al te menselijke - combinatie van techniek en agressie.

Tijdens de `materiaalslagen' van de Eerste Wereldoorlog werd dat voor het eerst in volle omvang zichtbaar. Voor menigeen is de twintigste eeuw daarom pas echt begonnen in de zomer van 1914. Volgens de kalender was 1 januari 1901 het officiële begin. Vlak daarvóór publiceerde H.G. Wells (1866-1946) een reeks artikelen in de Britse Fortnightly Review, waarin hij zijn best doet in grote lijnen het karakter van de komende eeuw te voorspellen. In 1901 verschenen ze in boekvorm, onder de imponerende titel: Anticipations of the reaction of mechanical and scientific progress upon human life and thought.

In zijn autobiografie uit 1934 noemt Wells deze Anticipations `a new start', niet alleen voor hemzelf, maar ook voor het `algemene denken'. En dat was, ondanks het karakteristieke gebrek aan bescheidenheid, niet eens onwaar. Natuurlijk heeft de mens zich altijd aan toekomstvoorspellingen gewaagd, door vlijtig de ingewanden van dode offerdieren te schouwen of de vlucht van de vogels, door de Apocalyps van Johannes te bestuderen of door - zoals de achttiende-eeuwse verlichtingsfilosofen en de negentiende-eeuwse positivisten - in een oneindige Vooruitgang te geloven. Maar Wells pretendeert in zijn boek iets anders te doen.

Niet aan wensdromen of fantasieën geeft hij zich over, hij speculeert over de toekomst `met al het decorum van de wetenschappelijke methode'. Anders dan in de meeste toekomstvisioenen en utopieën is zijn intentie niet `satirisch' of `polemisch'. Zulke teksten onthullen in feite meer over het heden dan over de toekomst; Wells' doel is `een ruwe schets van de komende tijden' te geven, `een prospectus, om zo te zeggen, van de gemeenschappelijke onderneming van de mensheid in het overwinnen van de toekomstmogelijkheden'. Van die onderneming, nam hij aan, zouden zijn lezers de belanghebbende `aandeelhouders' zijn.

Wells heeft zijn verbeeldingskracht dus moedwillig aan banden gelegd. Geen overbodige luxe, want dat hij over een rijke verbeelding beschikte, had Wells in 1900 al ruimschoots bewezen in `wetenschappelijke fantasieën' als The time machine, The island of dr. Moreau, The invisible man, The first men on the moon en The war of the worlds. Uit de meeste van die romans en verhalen spreekt, vreemd genoeg, geen overdreven fiducie in de zegeningen van wetenschap en techniek. Wells wordt niet ten onrechte gezien als een van de vaders van de twintigste-eeuwse anti-utopie. Bij hem kunnen de uitvindingen van de mens zich altijd ook tegen de mens keren. Optimisme en pessimisme wisselen elkaar in zijn omvangrijke oeuvre voortdurend af.

De tweede wet van de thermodynamica had hem geleerd dat de toekomst in het teken stond van een onontkoombare entropie, met als eindresultaat een uitdovende zon en een verkilde aarde, zoals het slot van The time machine (1895) demonstreert. Meer dan dertig miljoen jaar verwijderd van het heden, maakt zijn tijdreiziger kennis met een donker en ijzig kustlandschap waarop als enig levend wezen een niet nader beschreven `ding' voortkruipt, dat de omvang heeft van een voetbal en voorzien is van slepende tentakels.

Van zijn leermeester, de bioloog T.H. Huxley, had Wells bovendien een weinig rooskleurig geloof in `natuurlijke selectie' overgenomen, met als gevolg dat voor hem de mens niet noodzakelijkerwijs het eindpunt was van de evolutie. Misschien zou de mens ooit van zijn troon worden gestoten door reusachtige krabben of octopussen. Of, zoals hij bij wijze van voorproefje liet zien in het verhaal `The empire of the ants', door een leger van even intelligente als gewelddadige mieren.

Ook de aanval van Mars in The war of the worlds staat in dit teken. De Marsbewoners attaqueren de aarde immers, omdat de voortschrijdende entropie hun eigen planeet onleefbaar heeft gemaakt: meedogenloos elimineren zij de mens om diens plaats op de aardbol in te nemen. Of Wells echt in de mogelijkheid van zo'n aanval geloofde, blijft in het midden. Maar de moraal van zijn roman was ongetwijfeld serieus bedoeld, en die onthult tegelijk iets omtrent de inzet van de bloedstollende perspectieven in zijn overige romans en verhalen.

Nadat de Marsbewoners op het nippertje zijn bezweken aan bacteriën die op hun planeet al eeuwen geleden waren uitgestorven, komt Wells' verteller tot de conclusie dat deze `oorlog der werelden' ook een voordeel heeft gehad, hoewel de helft van de wereldbevolking met het gifgas en de hittestralen van de Marsbewoners is uitgeroeid. De mensheid werd er voorgoed door beroofd van het `serene vertrouwen in de toekomst dat de meest vruchtbare bron is van decadentie'. Beschaving en vooruitgang waren voor Wells geen vanzelfsprekendheden, maar vergden een permanente creatieve inspanning. Zonder de druk van nood en gevaar was de mensheid gedoemd tot verval en degeneratie.

In Anticipations laat Wells zich van een optimistischer kant zien, ook al zal de hedendaagse lezer geregeld het voorhoofd fronsen bij de drastische maatregelen die in het vooruitzicht worden gesteld. Want hoe terughoudend Wells zich ook lijkt op te stellen, uiteindelijk tekent zich onder deze quasi-wetenschappelijke `voorgevoelens' een onbarmhartig utopisch verlangen af, dat in bijna al zijn boeken valt terug te vinden.

Wells begint tamelijk onschuldig, met de ontwikkeling van het verkeer in de twintigste eeuw. Hier toont de moderne mechanisatie, in Anticipations dé motor van alle verandering, haar meest expressieve gezicht. De tijd van `kolen en stoom' loopt op zijn eind, meent Wells, die alle vertrouwen heeft in de recente experimenten met de op gas en benzine lopende explosiemotor. Weldra zullen de spoorwegen concurrentie krijgen van `betrekkelijk geruisloze, licht lopende, niet stinkende motorwagens'. Paard en wagen zullen voorgoed uit het straatbeeld verdwijnen, terwijl hij binnen de grote steden serieuze mogelijkheden ziet voor rollende trottoirs, onder de grond of in de lucht, die de voetganger brengen waar hij wezen moet. Alleen in het luchtverkeer ziet Wells vooralsnog weinig: twee jaar vóór het spectaculaire succes van de gebroeders Wright, voorspelt hij dat zoiets niet eerder dan in 1950 mogelijk zal zijn.

Op de ontwikkeling van de grote steden zal deze uitbreiding van de transportmiddelen enorme invloed hebben. De noodzaak om allemaal op een kluitje te wonen komt erdoor te vervallen, met als gevolg een centrifugale beweging ten gunste van uitgestrekte suburbane regio's, die via snelwegen en forensentreinen zijn verbonden met de oude stadscentra. Moeiteloos zie je uit zijn woorden de autobanen met hun viaducten en klaverbladen oprijzen, zij 't nog zonder enige zorg voor het milieu.

Er staan meer van dit soort concrete voorspellingen in Anticipations, bijvoorbeeld in het hoofdstuk over de oorlog. Ook daarin zal de mechanisatie voor radicale veranderingen zorgen. De traditionele legers met hun voetvolk en ruiterij verdwijnen, schrijft Wells, om plaats te maken voor kleine groepjes militaire specialisten (denk aan de commando's) die bewapend zijn met op dat moment nog imaginaire precisie-geweren en mitrailleurs. Zijn speculatie over `ijzeren schildpadden' kondigt de tank aan, die pas tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn intrede zou doen. En terwijl een leger vroeger ter plekke werd aangevoerd door een pittoreske generaal, gezeten op een paard en voorzien van epauletten, decoraties en sabel, zal de legerleider van de toekomst achter het front op `een telefonisch middelpunt' zitten, als een `centrale organisator' die de troepenbewegingen coördineert met behulp van waarnemingen uit ballonnen, door Wells plastisch de `argusogen van het militaire organisme' genoemd.

Niet minder frappant is wat hij schrijft over de toenemende mondialisering. In de toekomst zullen er drie supermachten ontstaan: Engeland en de USA, Europa, en Oost-Azië. Binnen die laatste supermacht ziet Wells vooral voor de Japanners een bijzondere rol weggelegd, want in zijn ogen zijn de Japanners `een heel eigenaardig en onberekenbaar volk, met een romantisch trekje, een opvatting van eer, een verbeeldingskracht en helderheid van verstand, die voor hen dingen mogelijk maken waar geen andere natie van kan dromen'. Daar staat tegenover dat het stagnerende Rusland volgens hem geen enkele rol van betekenis zal spelen, iets wat hij zelf na de bolsjewistische revolutie van 1917 een van zijn grootste vergissingen zou noemen. Een andere vergissing, die Wells niet meer heeft kunnen toegeven, is dat er in zijn internationale schema zelfs geen vermoeden blijkt te zijn van de dekolonisatie die na zijn dood in 1946 de internationale verhoudingen zo ingrijpend heeft gewijzigd.

Uiteindelijk zouden de drie supermachten, via onderlinge verdragen, de `wereldstaat' realiseren, naar Wells' levenslange overtuiging de enige garantie op duurzame vrede. Maar voordat het zover was, moest er op sociaal gebied wel het nodige veranderen. De oude klassen, lezen we, ruimen nu al het veld voor nieuwe, zoals de niet-functionele klasse van de `aandeelhouders' wier rijkdom geen enkele relatie meer heeft tot hun activiteiten, en een even onfunctionele onderklasse van paupers, die linea recta afstevent op wat Wells met typerende minachting de `afgrond' noemt. Van deze klassen is voor de toekomst weinig constructiefs te verwachten.

Maar dat geldt niet voor de grote nieuwe middenklasse van sobere, goed geschoolde, bekwame technici, die overal in de samenleving de facto de macht in handen zal krijgen. In de democratische, parlementaire politiek is daarvoor weliswaar geen plaats gereserveerd, maar dat betekent alleen dat de democratie in de toekomst geen rol van betekenis zal spelen. De democratie berust in Wells' ogen op achterhaalde ficties en draagt vooral een negatief karakter. Zij zal dan ook vervangen worden door iets wat hij de `Nieuwe Republiek' noemt, die een eind zal maken aan het amateurisme van de huidige parlementariërs.

De toekomst behoort, zo zou je Wells' voorspelling kunnen samenvatten, aan een technocratie met aan het hoofd een open elite van deskundige specialisten. De gebruikelijke tweedeling tussen beroepspolitici en stemvee houdt daarna op te bestaan. Opmerkelijk is dat Wells, vol vertrouwen in de nuchterheid van zijn `nieuwe republikeinen', geen mogelijkheden meer ziet voor begaafde demagogen: `Het is onwaarschijnlijk dat ooit weer de een of andere opgewonden man zonder waardigheid met een geweldige stem, een gespierd gelaat in rusteloze beweging, met verfomfaaide boord, haar in de war, en wild bewegende armen, pratend, pratend, pratend, eindeloos pratend uit de vensters van treinwagons, pratend op spoorwegperrons, pratend vanaf hotelbalkons, pratend op vaten, kisten, stellages, spreekgestoelten - onvermoeibaar en niet te stuiten -, het is onwaarschijnlijk dat zo iemand zou kunnen opklimmen tot de machtigste positie in enige democratische staat ter wereld'.

Had Adolf Hitler, bijna uitgeroepen tot `man van de eeuw', zich door deze voorspelling maar laten ontmoedigen. Aan de andere kant is er in Wells' schets van de `Nieuwe Republiek' weer wel het nodige te vinden dat aan de praktijk van fascisme en nationaal-socialisme doet denken. Niet alleen gelooft hij dat de oorlog (onvermijdelijk gezien het opgeschroefde `patriottisme' van de democratie) deze nieuwe klasse aan de macht zal brengen, ook wordt duidelijk dat haar moraal in sommige opzichten nauwelijks onderdoet voor die van fascisten en nationaal-socialisten.

Hét grote probleem van de toekomst blijkt immers de overbevolking te zijn. En om dat op te lossen komt Wells met een reeks voorstellen, waarvan het rigoureuze sociaal-darwinisme inmiddels een sinistere bijklank heeft gekregen. Van zijn nieuwe technische heersersklasse schrijft hij dat zij een ideaal zal hebben `dat het doden de moeite waard zal maken'. Dat ideaal is de `wereldstaat' van de toekomst. En wie er gedood zullen worden, dat zijn de klassen en rassen die niet in staat zijn om aan de nieuwe standaard van bekwaamheid en efficiency te voldoen. De ethiek van de `Nieuwe Republiek' zal ten dienste staan van de `procreatie van wat goed en efficiënt en mooi is in de mensheid'; alles wat daar tegenin gaat, alles wat onder de maat blijft, wacht de dood, die niet langer beschouwd zal worden als een `onbegrijpelijke verschrikking', maar als een praktisch middel om de wereld te verbeteren.

Het klinkt overigens afschrikwekkender dan het bij nader inzien blijkt te zijn. Want wat Wells op het oog heeft is voornamelijk een actieve politiek van geboortebeperking. Lustbevrediging en voortplanting zullen steeds meer van elkaar worden losgekoppeld, aldus Wells, die er zelf naast een echtgenote tal van minnaressen op na hield. Dat hij in zijn Anticipations de monogamie op losse schroeven zet en pleit voor een grotere souplesse in seksuele relaties, was dus niet geheel en al van eigenbelang ontbloot. Toch laat hij er geen twijfel over bestaan dat `inferieure' rassen en `minderwaardige' mensen, dat wil zeggen allen die niet in staat zijn zich aan te passen aan de eisen van de komende `wereldstaat', terecht gedoemd zijn om te `verdwijnen', door middel van contraceptie, sterilisatie of desnoods euthanasie. De wereld, schrijft Wells dreigend, is nu eenmaal `geen liefdadigheidsinstelling'.

Het is nogal wrang dat hij in dit verband vooral aan de `zwarte' en de `bruine' rassen lijkt te denken, al spreekt hij ook over de `vuil-blanken' en de `gelen'. Even wrang, zij 't om een andere reden, is zijn voorspelling in het laatste hoofdstuk dat de twintigste eeuw eindelijk de definitieve integratie van de joden te zien zal geven. Hoewel hij `een proces van fysieke en mentale verbetering in de mensheid' voorziet, heeft hij weinig vertrouwen in de praktijk van `selective breeding', niet uit principiële motieven maar omdat de wetenschap van de eugenetica naar zijn smaak nog onvoldoende ontwikkeld is. Had Wells nu geleefd, dan zou hij ongetwijfeld geestdriftig de mogelijkheden van genetische manipulatie in kaart hebben gebracht.

Toen Anticipations verscheen, rees er opvallend weinig protest tegen Wells' voorspellingen, die in de praktijk vaak de vorm aannemen van al dan niet bedekte wensdromen. Zijn boek beleefde alleen al in het jaar van verschijnen acht herdrukken en werd alom vertaald, ook in Nederland, waar het onder de titel De twintigste eeuw en hare waarschijnlijke ontwikkeling verscheen bij de Wereldbibliotheek. Door bevriende collega's als Henry James en Arnold Bennett werd Wells geprezen om zijn `freedom of mind' en zijn `imaginative power', terwijl de socialistische Fabian Society onmiddellijk haar deuren voor hem opende.

Onwillekeurig relativeert dit succes de bezwaren die nu tegen zijn even kordate als onverschrokken visie kunnen worden ingebracht. Wells' profetische `ontdekking van de toekomst' (zoals hij het in een gelijknamige lezing uit 1902 noemde) vertolkte een geloof in planning en maakbaarheid, dat destijds door tal van progressieve geesten werd gedeeld. Nog onbelast door de ervaringen van de twintigste eeuw, kon hij zijn futuristische verbeelding op de wereld loslaten, terwijl in Zuid-Afrika de Boerenoorlog woedde, in China de Bokseropstand amper voorbij was, in Duitsland en Oostenrijk een keizer op de troon zat, in Rusland een tsaar, en in Nederland nog een Paleis voor Volksvlijt bestond.

Om zijn boek naar waarde te schatten, moet je het lezen met die historische werkelijkheid in het achterhoofd. Het meest verbazingwekkend blijft niettemin dat Wells al in 1901 zoveel van de problemen én de mogelijkheden heeft gesignaleerd, waarmee we nu nog altijd worstelen, en nog altijd - niet anders dan Wells in de rest van zijn oeuvre - verdeeld tussen optimisme en pessimisme. Dat hoeft uiteraard niet te betekenen dat het verplicht is ook zijn oplossingen over te nemen. Soms lijkt het, wanneer je Wells leest, alsof de twintigste eeuw nooit heeft bestaan. Maar om daar na morgen daadwerkelijk van uit te gaan, zou ongetwijfeld niet erg verstandig zijn.

Dit is de laatste aflevering in de serie `De oogst van onze eeuw', die vanaf januari 1997 in Boeken verscheen. Een ruime selectie uit de serie zal komend voorjaar als boek worden gepubliceerd.

H.G.Wells: Anticipations of the reaction of mechanical and scientific progress upon human life and thought. Chapman & Holl, 318 blz. (1901, heruitgave 1914)