Een grote kankertirade

Verpletterend, ja. Zo sterk dat menigeen de vijftien bladzijden niet haalt en het walgend terzijde legt. Het is dan ook geen vrolijk wereldbeeld dat Louis-Ferdinand Céline schetst in zijn Voyage au bout de la nuit (1932). Een uitgesproken zwarte kijk op de mensheid, de vergeefse strijd van de onderknuppels die het altijd afleggen tegen de bazen, de ploerten. Eén grote kankertirade, een ademloos verteld relaas van een jonge man, Bardamu, die neuriënd de oorlog inwandelt en er volslagen verknipt weer uitkomt.

Dan is de toon gezet en reizen we mee naar de koortsige koloniale hel van Afrika, naar New York en Detroit voor hallucinerende beelden van de betonnen stad en de oorverdovende fabriekshallen. Terug in Frankrijk, naar de armzalige buitenwijken van Parijs waar de inmiddels arts geworden hoofdpersoon met de moed der wanhoop de hoestende, rottende, altijd zeurende en kermende patiënten probeert op te lappen. En ten slotte zijn baan in het gesticht van Vigny-sur-Seine.

Waarom werd ik toch meegesleept door dit boek, in de vertaling van E.Y. Kummer uit 1968? Het is geen hoopvol boek; het heeft mij toen voorgoed genezen van het toch al wankele vertrouwen in wereldverbeteraars. De kleine scharrelaars leggen altijd het loodje en maken, als het even kan, ook elkaar een kopje kleiner. We lezen over een rusteloze reis door een wereld van modder, roest en verderf, een mengsel van Jeroen Bosch, Max Beckmann en Georg Grosz. Maar het is zo waanzinnig beeldend geschreven en met zo'n razende vaart.

En net als je geen adem meer hebt, na het zoveelste avontuur waar Bardamu in de puree is geraakt, lees je een goed getimede rust, een overpeinzing, een lyrische beschrijving van een stad of een bos. Die zwartgalligheid overleef je ook door de hilarische passages en de momenten van ontroering en mededogen: de beschrijvingen van sergeant Alcide die in de rimboe jarenlang spaart voor zijn gehandicapte nichtje in een Frans weeshuis, van zijn Amerikaanse vriendin Molly, van de dood van het jongetje Bébert in zijn Parijse wijk.

Het nadeel van dit boek is dat alle andere literatuur er zo bij verbleekt.

Louis-Ferdinand Céline, Reis naar het einde van de nacht (1932) is verkrijgbaar als uitgave van Van Oorschot.