Dubbelplusgoed

Zoals echte Reve-fans zich eind december en masse verheugen in een jaarlijks wederzien met De avonden, zo herlees ik op gezette tijden Nineteen Eighty-Four. In 1979 voor de lijst; in 1984 om te zien in hoeverre George Orwells toekomstroman uit 1948 werkelijkheid was geworden; na de Val van de Muur om te huiveren bij de parallellen tussen het leven in Stasi-Duitsland en dat in Orwells Oceanië; een jaar of vijf geleden om munitie te verzamelen tegen de stelling van een onbezonnen criticus `dat Orwell literair weinig inhoudt'; en nu, in het jaar van Big Brother, omdat we de datum naderen die in apocalyptische geladenheid de opvolger is van 1984.

Ik ben nog nooit teleurgesteld. Natuurlijk heeft Orwells satire op het totalitarisme wel zwakke punten, al was het alleen maar doordat veel van de personages eendimensionaal zijn en sommige van de dialogen te didactisch. Maar bij iedere lezing stuit je op nieuwe kwaliteiten. Was ik als 15-jarige vooral onder de indruk van de martel- en hersenspoelsessies waaraan Winston Smith in de kelders van het Ministerie van Liefde onderworpen wordt (Kamer 101! De ratten!), een paar jaar later werd ik als student geschiedenis gegrepen door Orwells uiteenzettingen over de manipulatie van het verleden in een dictatuur: `Wie het verleden beheerst, beheerst de toekomst; wie het heden beheerst, beheerst het verleden.' Daarna las ik 1984 minder voor de politieke filosofie dan voor de literaire verbeelding van Orwells anti-utopia – vanaf de superieur-omineuze beginzin (`Het was een heldere koude dag in April, en de klokken sloegen dertien') tot het even ontroerende als cynische slot waarin de gebroken Winston er toe komt Grote Broer lief te hebben.

Tegenwoordig is 1984 voor mij in de eerste plaats een roman over de liefde, één van de mooiste die ik ken. De verboden amour fou van Winston en Julia, temidden van de teleschermen en de agenten van de Denkpolitie, is ten minste zo invoelbaar en gedoemd als die van Romeo en Julia, Tristan en Isolde, of Heathcliff en Cathy. Nog steeds krijg ik rillingen bij de scène waarin Winston en Julia elkaar gelaten vertellen dat ze de ander verraden hebben, terwijl ze er in betere tijden zeker van waren dat de Partij hen alles kon laten doen, maar dát nooit, omdat ze niet diep in je binnenste kon komen.

IJdele hoop. `Ten overstaan van pijn zijn er geen helden, geen helden', luidt de kernzin van 1984. En het beeld van de toekomst dat Winstons vaderlijke folteraar O'Brien geeft van de toekomst – `stel je een laars voor die stampt op een menselijk gezicht, zonder ophouden – is al even ontmoedigend (en in het grootste deel van de wereld waar). 1984 is een van de somberste romans van de twintigste eeuw. `The best books are those that tell you what you know already', denkt Winston wanneer hij in het verboden boek van een Partij-vijand leest. Maar het is anders. De beste boeken zijn die welke je vertellen wat je eigenlijk niet wilde weten.

George Orwell, Nineteen Eighty-Four (1949) is verkrijgbaar als Penguin-editie. De citaten komen uit de Nederlandse editie 1984, verschenen bij De Arbeiderspers.