De schijnheilige bourgeoisie

Een roman schrijven die kil is en tegelijk hartverscheurend, lukt maar weinigen. Het lukte Elfriede Jelinek met Die Klavierspielerin. De verschrikkelijkheid van de personages stoot je af, terwijl je zowat van deernis vergaat.

Het verschrikkelijkste personage is ongetwijfeld Erika Kohut, pianolerares aan het conservatorium van Wenen. Erika Kohut kleineert haar studenten, want nooit of te nimmer mogen die haar overtreffen. Ze kijkt neer op de jeugd, want die is volgens haar de leeghoofdigheid zelve. Erika Kohut drijft de spot met frivoliteit en zinnelijkheid, want haar gaat het alleen om de geest. Deze zedige lerares doet in het geniep de gemeenste dingen. Een leerlinge van haar bestraft ze omdat het kind jong is en leuk, door het meisje gauw wat glasscherven toe te stoppen. Van foltermethoden weet juffrouw Kohut evenveel als van Mozart en Schubert en Brahms — en we zouden haar in d'r sop laten gaarkoken als Jelinek niet naast haat ook begrip voor haar had gewekt.

Erika Kohut is het product van een opvoeding die choqueert door normaliteit. Tot iets teers moet het naar een heideplantje vernoemde wicht worden opgevoed, tot iets begaafds, iets bijzonders. Het burgerlijke kunstenaarsideaal van Erika's opvoeders ging samen met een peilloze geringschatting van de burgerij.

Met haar kritiek op de schijnheiligheid van de bourgeoisie plaatst Jelinek zich in een lange Oostenrijkse traditie. Een eeuw geleden al, toonde Arthur Schnitzler de perverse kanten van de Weense Bildungsbürger — maar Jelinek verrijkt die traditie met een heel persoonlijk en tegenstrijdig feminisme. Niet de vader is het die de dochter dwingt en dresseert, maar de oude moeder. Sinds pa Kohut in het gesticht verdween, zwaait die moeder thuis alleen de scepter. Mutti wil haar dochter bezitten en ontplooit daarbij al haar manipulatieve talenten — van totale aanbidding tot en met de totale verachting voor dat wat uit haar lijf kwam. De dochter is horig gemaakt aan de moeder; de een beveelt, de ander gehoorzaamt braaf.

Elfriede Jelinek, zelf grootgebracht door een kwellend-overheersende moeder ontdekte bij Hegel dat aan elke relatie een meester-knecht-rolverdeling ten grondslag ligt. De meester leeft van het gezwoeg van de knecht — en die komt vroeger of later in opstand. Ook Erika tracht zo nu en dan aan haar pijnigster te ontkomen. Ze laat zich in met een man: Walter Klemmer, haar vlijtigste student. Hij probeert haar te onderwerpen en zij op haar beurt hem — aan haar verlangen naar straf. Zo ontaardt hun liefde in een krachtmeting waar alleen de moeder van profiteert.

Ik ken geen gevoeliger boek over sadomasochisme dan en ook geen geestiger boek, want het zit vol klankgrapjes en behendig verdraaide clichés.

Elfriede Jelinek, Die Klavierspielerin (1983), is een uitgave van Rowohlt. De Nederlandse vertaling, De pianiste, verscheen bij Van Gennep.