De Middeleeuwer moest zwoegen voor de heerlijkheid in het paradijs

De doden horen erbij. In rouwadvertenties en geboorte-aankondigingen zie je het weleens: reeds overleden familieleden, herkenbaar aan het kruisje achter hun naam, delen in de droefheid of de vreugde. Bij de belangrijke gebeurtenissen des levens voelen de levenden de behoefte hun dode verwanten en dierbaren te betrekken en zo ook te gedenken. In de westerse cultuurgeschiedenis is dat niet iets van vandaag of gisteren, en in de loop der eeuwen heeft het gebruik verschillende gedaanten aangenomen. Museum Het Catharijneconvent in Utrecht toont in een mooie expositie voorbeelden van de talloze kunstwerken uit de laatmiddeleeuwse Noordelijke Nederlanden die op een of andere manier verwijzen naar de dood of de zorg voor het zielenheil.

Nog veel meer dan tegenwoordig maakte de dood in de middeleeuwse gedachtenwereld deel uit van het leven. Andersom gaat de christelijke leer ook uit van een leven na de dood, maar hoe dat precies uitpakt is allerminst zeker. Wie een goed en deugdzaam leven heeft geleid, maakt kans op de heerlijkheid van het paradijs. Maar aangezien geen sterveling zonder zonden is, moet rekening worden gehouden met een moeizamer traject. Branden in de hel is natuurlijk het zwartste scenario, maar een periode van loutering in het vagevuur behoort ook tot de mogelijkheden. Van belang is hoe dan ook een goede voorbereiding op de dood, door het verrichten van goede werken, het weerstaan van verleidingen en het verdienen van aflaten door bijvoorbeeld pelgrimages. Ook de achterblijvers konden hun steentje bijdragen. Bidden en het opdragen van heilige missen voor een overledene konden diens verblijf in het voorgeborchte aanmerkelijk verkorten.

De dagelijkse praktijk van het sterven en de voorbereiding daarop, het begraven en de zorg voor de ziel van de overledene, worden in de expositie geïllustreerd door prenten en vaak schitterende handschrift-illuminaties in getijden- en gebedenboeken. Een opmerkelijk gebruiksvoorwerp als een rozenkrans, waarvan de kralen waarmee de vrome gebruiker de Ave Maria's aftelde de vorm hebben van doodskopjes, maakt de relatie tussen het gebed en de voorbereiding op dood en hiernamaals op bijna schokkende wijze aanschouwelijk.

De blikvangers van de tentoonstelling zijn de kunstwerken die een rol speelden in de cultus van de herinnering. Deze zogenaamde `memorietafels' zijn bijna steeds religieuze voorstellingen die zijn voorzien van portretten van stervelingen. Op een of andere manier verwijzen ze naar belangrijke gebeurtenissen uit het leven van de geportretteerden die samenhangen met de zorg voor het eigen zielenheil of dat van anderen. Dat kon de intrede in een klooster of broederschap zijn, een schenking gedaan aan een kerk of kapittel, of de gedachtenis aan overledenen. Zo liet Simon Jansz. van Polanen zichzelf afbeelden samen met een groot gezelschap dat, blijkens het opschrift, bestaat uit zijn niet minder dan zes achtereenvolgende en voortijdig gestorven echtgenotes en de 33 kinderen die zij hem schonken.

Zo'n verklarende tekst op het schilderij of andere documentatie is essentieel voor de interpretatie van memorietafels. Veel ervan hebben een voorstelling die zich niet onderscheidt van altaarstukken en religieuze schilder- en beeldhouwwerken waarmee de kerken voor de Alteratie in de Nederlanden volstonden. Om bijvoorbeeld het drieluik dat een onbekende meester – veel van de werken in de tentoonstelling zijn anoniem – voorzag van een voorstelling van de Kruisiging (circa 1525) te duiden als een memorietafel voor de twee mannen die knielen op de zijluiken, zijn archiefstukken noodzakelijk die duidelijk maken dat zij allebei al lang waren overleden toen het schilderij tot stand kwam. In het begeleidende boek geeft Truus van Bueren een gedetailleerde neerslag van dergelijk onderzoek, dat overigens veel verder gaat dan alleen de werken in de tentoonstelling.

Soms echter duidt de voorstelling zelf op de functie van een schilderij als memorietafel. Zo is er een paneel van de Meester van de Levensbron dat, verdeeld in compartimenten, de zeven Werken van Barmhartigheid toont (circa 1510). Het lijdt geen twijfel dat de leden van een onbekende familie die erbij zijn geportretteerd de caritas beoefenden uit bekommernis met het leven na de dood. Een van de zeven werken, het begraven van de doden, is weergegeven in een kerkinterieur. Vier monniken laten een doodskist zakken in een vers gedolven graf. Paradoxaal genoeg, bij alle respect en zorg voor de doden, zijn in het zand dat aan weerszijden van de groeve ligt opgetast, schedels en knoken te zien die bij het graven weer omhoog zijn gekomen. Het toont aan dat de bij uitstek materiële manifestaties van de cultus van dood en hiernamaals zoals die in de expositie prachtig zijn geïllustreerd, zich uiteindelijk richtten op zoiets onstoffelijks als het zielenheil.

Tentoonstelling: Leven na de dood; gedenken in de late Middeleeuwen. Museum Catharijneconvent, Lange Nieuwstraat 38, Utrecht. T/m 26/3. Publicatie (Uitg. Brepols): 280 blz., ƒ69,50.