De falanx van blote bovenlijven

Iedereen trekt tegenwoordig zijn hemd uit, de gabbers, de hooligans, in het Big Brother-huis, op de poppodia. Misschien is het wel zo dat het lichaam nog een laatste keer flink wil uitpakken.

Dit is het beeld waarmee ik de eenentwintigste eeuw inga: een man die met ontbloot bovenlijf dwars door een enorme caféruit springt – niet naar buiten, maar naar binnen toe. Echt, op m'n ogen, waar gebeurd, nog geen drie weken geleden, twee straten verder – naar verluidt omdat hem na een hoog oplopende ruzie de toegang was ontzegd – behalve dan dat de ruit niet brak, zelfs niet barstte, en de man met een doffe klap terugviel op straat waar hij vreemd verbogen liggen bleef. Toch had ik kunnen zweren dat ik hem in een regen van glas door die ruit had zien gaan, als was het water dat daar viel, net zo makkelijk.

Dat komt zo.

De week daarvoor had ik in Paradiso Iggy Pop zien optreden, de man die als geen ander het ontblote bovenlijf tot kunst heeft verheven. Al dertig jaar lang is Iggy op het podium tegelijk hogepriester en mensenoffer in de eredienst van de rock `n' roll. Terwijl de gitaar-riffs als zweepslagen op zijn blote rug neerdalen, juint hij het publiek net zo lang op tot ze de zoet-metalen smaak van zijn bloed op hun tong kunnen proeven en werpt hen dan, als het karkas van een antilope, zijn eigen lichaam toe. Er is zelfs een tijd geweest dat hij zo lang niet wachten kon en met behulp van de scherven en splinters van een gebroken whiskyfles alvast als een bloeddronken haai zijn tanden in eigen vlees zette.

Maar naarmate hij ouder is geworden doet hij er langer over, gedraagt hij zich steeds meer alsof de onzichtbare wand die hem van de leeuwenkuil scheidt geen illusie is maar van glas, sterker nog: een one way mirror die hem het zicht beneemt op zijn werkelijke spiegelbeeld in de zaal. Met een microfoonstandaard priemt hij er eerst een aantal sterren in die vervolgens bliksemsnel uitwaaieren tot lange barsten als hij zich er een paar keer zijdelings tegenaan heeft geworpen. Pas wanneer het glas zo broos als sneeuw is geworden waagt hij, blote borst vooruit, de grote sprong het publiek in en maakt daarmee de weg vrij voor het verkeer in omgekeerde richting: vanuit de zaal het toneel op en met een snoekduik of ruggelings weer terug, een geplons van jewelste. En elke keer dat iemand zijn voet door die vierde wand zet, verdampt er een Berlijnse Muur.

Veel rondvliegend glas ook aan het slot van de film Fight Club die ik weer twee weken daarvoor had gezien, een ware wolkbreuk van glas wanneer daar, als apotheose van `Project Mayhem', de ene na de andere wolkenkrabber de lucht ingaat. Het brein achter dit project is een man, of eigenlijk de helft van een man – elke man – die andere mannen aanspoort elkaar in kelders en stegen met de blote vuist te lijf te gaan om zo hun ware aard terug te veroveren op de door massa-consumptisme verziekte beschaving. Tyler Durden is de naam van deze punk-messias, die gespeeld wordt door Brad Pitt, wiens in de film meestal ontblote bovenlijf een jonger evenbeeld is van dat van Iggy – tot aan de door de huid heen bollende bedrading, de kasseien rond het middenrif en tot diep in de liezen afgezakte broek aan toe.

Pitt is in Fight Club bijna honderd procent Id, Freuds slangenkuil van ongeremde driften, maar dan vermengd met een scheut Nietzsche uit de supermarkt. Doodeng en gestoord, zeker, maar als halve mens, schaduwmens, sluimerende Hulk, niet oneindig ver van ons bed. Soms zijn er geen stapels normen en waarden, maar juist een paar rake klappen voor nodig om je te doen beseffen dat je langzamerhand bent afgestompt tot een vuist. En die vuist zoekt een gezicht om te slaan.

Als er één onderwerp het afgelopen jaar gesprek van de dag is geweest, dan wel zinloos geweld. Fight Club suggereert – met het scherpe oog voor de verborgen orde achter de dingen die de paranoia gemeen heeft met religie – dat al die op zichzelf onverklaarbare incidenten samen een patroon vormen: een kettingreactie van doorslaande stoppen in het collectief onbewuste. Het `Project Mayhem' van de natuur zelf, als reactie op een cultuur die bezig is over de rooie te gaan.

En over door het dolle heen gesproken. Nóg weer een paar weken eerder las ik het boek Achilles In Vietnam, waarin de Amerikaanse psychiater Jonathan Shay de kenmerken van het `post traumatic stress syndrome' analyseert aan de hand van Homerus' Ilias. Klassiek verhaal, nietwaar. Helena geschaakt. Troje belegerd. Goden verdeeld. En Achilles, boos op de leiding, mokkend in zijn tent – tot op het moment dat zijn vriend Patroklos wordt gedood. Dan trekt er een rood waas voor zijn ogen en gaat hij op het slagveld dagenlang als een beest tekeer. Dat wil zeggen: als een dolle hond, maar evengoed als een razende god.

Volgens Shay is er een opvallende gelijkenis tussen Homerus' beschrijving van de razernij van Achilles en de verhalen die Vietnamveteranen vertellen over wat hij de `berserk state' noemt. Een buitenzinnige toestand van blinde moordzucht die – opgewekt door laf gedrag van een meerdere, verwondingen, een aanvaring met de dood, maar vooral door het verlies van een kameraad – volgens Shay de kern vormt van hun latere oorlogstrauma. `Berserking' heeft een bijna niet meer te dichten gat in hun ziel geslagen op de plek waar eens, tussen beest en goden in, hun menselijkheid zat, dat wil zeggen: het vermogen om je in te houden, compassie – deugden die wilde beesten en goden gevoegelijk aan hun laars kunnen lappen. Wat overblijft is een bodemloos gevoel van verlies dat de wereld van zijn kleur en weerbarstigheid berooft en tegelijk, niet zelden, een angstig terugverlangen naar die bijna mystieke ervaring van almacht en onkwetsbaarheid teweegbrengt, waardoor je zonder jas dwars door een regen van kogels heen kon lopen.

Het eerste wat Amerikaanse soldaten in Vietnam deden als ze door het lint en dus `berserk' gingen, was zich razendsnel van hun helm en beschermende kledij ontdoen, alsof ze plotseling stikten van de hitte. Het enige wat ze nog nodig hadden was een wapen, de rest was ballast – wat heet: ze waren zelf een en al wapen geworden en dus onkwetsbaar. En dat klopt niet alleen met Achilles, die, toen hij van de dood van Patroklos hoorde, als een speer en zonder zijn wapenrusting het slagveld op wilde rennen, maar ook met de oorspronkelijke betekenis van het woord `berserk'. Dat stamt namelijk van het Noorse begrip voor de manier waarop hun strijders in een toestand van razernij en goddelijke bezetenheid de vijand tegemoet renden, `baresark', letterlijk: in je blote hemd, ongeharnast, naakt of anders alleen (andere `bare') met een berenhuid op de rug.

Kom op dan als je kan, lul, kom op dan, probeer me dan eens te raken – ik heb het in de loop der tijd heel wat jongens horen zeggen, op straat terwijl ze vliegensvlug of juist tergend langzaam hun hemd uittrokken, of in de ring, waar ze hun hemd al uit hadden. Vaak staken ze ook nog eens hun lelijke kop een eind naar voren en tikten op hun kaak met een gebaar van: kijk, hier, helemaal onbeschermd, en nog durf je niet. En ik zie het ze nog steeds doen overal, de hooligans bijvoorbeeld, Fight Club International, in het stadion joelend als indianen, en daarbuiten wanneer ze, in een roes van drank en pillen en overmoed, als bewijs van hun onkwetsbaarheid de zwartgehelmde en goed gebeenschermde falanx van de ME hun ontblote bovenlijven aanbieden.

Maar ik zag ze ook vaak, net zo berserk maar dan goedaardig, op gabberhouse-parties kaalkoppig door gigantische loodsen en pakhuizen stuiteren. En dit jaar nog bijna honderd dagen lang in het Big Brother-huis, bij wijze van mannelijke peep-show, de ontblote bovenlijven van Ruud en Bart en Maurice – met als boodschap: iedereen kan vierentwintig uur per dag alles van mij zien, maar mij aanraken – touch me! touch me! – kan net zo min als in mijn innerlijk kijken. Mijn naaktheid is een manier om hier binnen toch ook een beetje buiten, dat wil zeggen vrij te zijn, ongrijpbaar. Denk maar aan Heidegger en diens principe van `onthullend verhullen' of ga eens rondkijken in een Amerikaanse gevangenis, waar het blote bovenlijf, net als in het BB-huis, ook het uniform van de gekooide is en bovendien een duidelijk signaal afgeeft aan de andere blote bovenlijven om zich heen.

No shoes, no shirt, no service. Het zijn er te veel. Ik kan er geen wijs meer uit, al die blote bovenlijven. Het Rambo-syndroom, exhibitionisme, de `coming out' van de innerlijke Hulk, `me Tarzan'–narcisme, het overbruggen van de kloof tussen lichaam en geest, de diepere zin van zinloos geweld, het afdwingen van respect, het verlangen naar onbeperkte bewegingsvrijheid, seksuele hoogspanning, global warming, het Bounty-gevoel, lekker jezelf, ook het asfalt één groot strand, ritsloze nummers, back to basics, Jungleland. Ik weet het niet.

Misschien is het wel zo dat het lichaam nog een laatste keer flink wil uitpakken, nu wij door de ver-virtualisering van de werkelijkheid en alle tripjes door cyberspace ons stoffelijk omhulsel steeds meer als een biologische gevangenis zullen gaan ervaren. Of is bloot de enige manier om zonder kleerscheuren door die drie hoepeltjes van 2000 de toekomst in te kunnen springen. Geen idee.

Maar die caféruit van twee straten verderop en drie weken terug – die is wel degelijk gesneuveld. Dat weet ik zeker.

Volgende week gaan de laatste hechtingen eruit.