Avontuurlijk hardop denken

Die Traumdeutung van Sigmund Freud heb ik gelezen op mijn twintigste, toen ik geschiedenis studeerde en me meer en meer afvroeg waarom. Het ging veel over pausen, stadsmuren en strategische allianties, keurige klassieke onderwerpen allemaal, maar om redenen die mij nog duidelijk moesten worden, vond ik veel ervan zo dood als het verleden maar zijn kan.

Min of meer toevallig kwam ik aan Die Traumdeutung. Ik las het zonder aan geschiedenis te denken en zag een wereld opengaan. De droomduidingen van Freud beperkten zich niet tot een analyse van de droom op zich, hij bracht die in verband met dingen die de dromer had beleefd, kort voor de droom maar ook in de vroegste kindertijd. Hij was een `archeoloog van de geest', zoals hij zelf zei, en de parallel met de geschiedenis lag er ineens dik bovenop. Hij reconstrueerde de geschiedenis van een bewustzijn.

Dat wou ik ook! Het was een soort geschiedenis die niet zozeer om feiten draaide alswel om ervaringen, niet om abstracties maar om navoelbare sensaties. Het was levende geschiedenis, ter grootte van precies één levend mens, en gaandeweg begon het me te dagen waar ik het in de geschiedenis moest zoeken: in een onderzoek naar één zo'n mens. In een biografie, met andere woorden.

Dat alles is natuurlijk oneigenlijk gebruik van Freud, die heel iets anders op het oog had, maar Die Traumdeutung laat je daar alle ruimte voor. Het is een wetenschappelijke studie maar ook, na een doodsaai eerste hoofdstuk, grote literatuur. Het is een poging tot objectiviteit maar ook een autobiografische belijdenis, want veel van de dromen die hij duidt zijn van de schrijver zelf afkomstig. Het is daarmee in de kern een zelfanalyse, maar het voert intussen een pleidooi voor het idee dat die nooit slagen kan omdat een analyse altijd om de inbreng van een ander vraagt, in de rol van analyticus.

Vooral door die laatste tegenstrijdigheid is het een boek dat me de laatste tijd opnieuw is gaan intrigeren. Ik werk aan een biografie van Renate Rubinstein, een schrijfster die de analyse van persoonlijke ervaringen op een overigens heel andere manier tot kernstuk van haar werk gemaakt heeft, en sta nu dus zelf voor de vraag in hoeverre zoiets slagen kan. Hoe krijg je zicht op blinde hoeken in je zelfbeeld? Hoe doe je dat als je de spiegel van een analyserende ander mist? Wat doe je eigenlijk in een zelfanalyse?

Freud heeft de reputatie van een doctrinaire doordrijver, niet helemaal ten onrechte. Maar hij was tegelijk een onwaarschijnlijk open geest, die dacht over zo'n beetje alles waar een mens zich mee kan bezighouden, van geslachtsorganen tot geschiedenis. Hij vond een hypothese nooit te dol om te proberen en was zo oprecht zijn stukken zo te componeren dat de lezer voor zichzelf kan uitmaken waar zijn duidingsdrang ontaardt in flauwekul. Hij schreef van argument naar argument, en beantwoordt daarmee aan mijn ideaal van essayistisch schrijven: een gestileerde vorm van avontuurlijk hardop denken.

Sigmund Freud, De droomduiding (1900), is verkrijgbaar als uitgave van Boom