Stadsland

Zes uur 's ochtends. De bemanning van de Marla zit aan het ontbijt. Van matroos Jeroen leer ik ongekende combinaties: boterhamworst met dik ketchup, vanillevla met een vette laag hagelslag. Op de Oude Maas is het druk, het radarscherm is vol bewegende inktvlekken, allemaal Eben Haëzers, Marie's en Op Hoog van Zegen's. Het nachtlicht komt niet meer van de sterren en de maan, maar van steden, wegen, raffinaderijen. We varen een slapend stadsland binnen.

Om zeven uur rekt de radio zich uit. Er is iets met de belasting voor dokters en met een rebelse omroep, een Kamerlid heeft wat gezegd, een oude man is overleden. Een gezegend land, met zulke nieuwsberichten. Daarna wordt er herdacht dat het een lieve lust is: iedere waarheid wordt opnieuw gewogen, iedere steen wordt nog eens omgedraaid. Even verderop in Europa zou zoiets ondenkbaar zijn. Daar is verdringing een praktische noodzaak, wil je niet gek worden van schuld, woede of ellende. Wat een luxe is het, zoveel orde, zoveel brave geschiedenis.

Als de Marla eindelijk aan een verre kade ligt ontvouwt zich een onvoorstelbaar tafereel: enorme, virtuele handen kiezen containers uit, hangen ze aan kranen, duwen treintjes in het rond, stapelen, sorteren, en nergens is meer een mens te bekennen. In de stuurhut hebben de jongens het over de oudejaarsloterij, en wat ze als miljonair gaan doen, de volgende eeuw. Ze gaan huizen kopen, en auto's, en ze gaan hun familie verwennen, nou, reken maar. Op de wal beweegt het allemaal voort, een wonder is het, en wij kijken maar wat toe, als eenzaam kluitje mensenvlees.