Slingerbeweging

Kenmerkend voor de bijna verstreken eeuw waren opkomst en vernietiging danwel geleidelijke ondergang van totalitaire regimes zoals de overgeleverde geschiedenis ze voordien nauwelijks heeft gekend. Communisme en nazisme kostten tientallen miljoenen het leven en oefenden tegelijk op velen een opvallend grote aantrekkingskracht uit, niet in de laatste plaats op zich zelf geëngageerd noemende intellectuelen in geïndustrialiseerde democratieën. De heersers in communistische dictaturen spiegelden de rest van de wereld voor dat in deze landen langs planmatige weg een rechtvaardige samenleving werd gerealiseerd die onder meer alle burgers toegang tot zorg, goed onderwijs en deugdelijke huisvesting zou verschaffen.

Net zo maakten de nazi's in de jaren dertig aanvankelijk grote indruk door hun daadkrachtige aanpak van de massawerkloosheid. Opheffing van armoede, werk voor allen en verbetering van collectieve voorzieningen waren ook de doelstellingen van sociaal-democratische en christelijk-sociale bewegingen die in de loop van de twintigste eeuw toonaangevend werden in veel landen waar de democratische staatsvorm met algemeen kiesrecht wortel had geschoten. Maar de maatschappelijke strijd die nodig was om deze doelstellingen stapsgewijs te bereiken, vergde vele tientallen jaren. Linkse splintergroepen duurde dit te lang; hun aanhang wenste drastischer actie. Aanhangers van klein rechts opteerden op andere gronden voor verzet tegen de democratische rechtsorde.

De diepe depressie van de jaren dertig maakte het klimaat in de kapitalistische landen eindelijk rijp voor een veel stringenter overheidsingrijpen in het economisch leven. In de eerste helft van de jaren veertig maakte de oorlogseconomie in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk industriëlen en bevolking vertrouwd met de sturende rol van de overheid. Na de herstelperiode die volgde op de Tweede Wereldoorlog was in de westerse landen voldoende politiek en economisch draagvlak aanwezig voor de opbouw van de verzorgingsstaat.

Kenmerkend voor verzorgingsstaten is dat de productiemiddelen hoofdzakelijk in particuliere handen blijven en dat de productie wordt verzorgd door ondernemingen die streven naar winst en hun eigen continuïteit voorop stellen. Tegelijk roomde de overheid een toenemend deel van het nationale inkomen af, hoofdzakelijk voor de financiering van inkomensoverdrachten. Bij zulke transacties wordt inkomen overgeheveld van de ene burger naar de andere, zonder dat de ontvangers tot een tegenprestatie zijn verplicht. Sinds 1960 zijn de overheidsuitgaven in de vijftien lidstaten van de Europse Unie gestegen van dertig tot vijftig procent van het nationale inkomen. Van die uitgavenstijging met twintig procentpunten wordt bijna twee derde verklaard door het toegenomen belang van inkomensoverdrachten en ruim een vijfde door hogere rentelasten op de schuld van de overheid. Politici, tuk op herverkiezing, hebben lang geaarzeld hun kiezers te confronteren met de volle prijs van de verzorgingsstaat. Omdat de opbrengst van belastingen en premies voor de sociale verzekeringen achterbleef bij het beloop van de uitgaven, namen tekorten en schuld van overheden sterk toe.

Met name in de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig zijn sterk oplopende collectieve uitgaven voor een deel met nieuwe leningen gefinancierd. Eerst in latere jaren noopt dit tot hogere belastingen voor rente en aflossing.

Tegenvallende economische groei en voortdurend stijgende lasten leidden de afgelopen twee decennia in Nederland en andere verzorgingsstaten tot een tegenbeweging. Het vertrouwen – gevoed door ervaringen tijdens de gouden jaren vijftig en zestig – dat de overheid de soms heftige schommelingen van de economische bedrijvigheid ( conjunctuur) kan dempen door gerichte maatregelen was inmiddels vervlogen. Gierende inflatie in combinatie met groeiende werkloosheid betekenden het einde van de tot dan toe gangbare conjunctuurpolitiek. Bezuinigingen op collectieve uitgaven, minder regels en privatisering van overheidstaken kenmerkten sinds het begin van de jaren tachtig het financieel-economische beleid in steeds meer verzorgingsstaten. In Nederland verminderde het beslag dat vanuit de collectieve sector op het nationale inkomen wordt gelegd in amper vijftien jaar van twee derden tot minder dan de helft van het nationale inkomen. Een langdurige periode van overheidstekorten is daarmee afgesloten.

De slinger lijkt nu weer de andere kant op te zwaaien. Aan de vooravond van de komende eeuw markeren leidende politici hun positie in een oplaaiend debat over de bestemming van zich aftekenende overschotten op de overheidsbegroting: (nog meer) belastingverlaging, opnieuw uitbreiding van de collectieve sector door hogere uitgaven voor zorg, onderwijs en milieu, danwel aflossing van staatsschuld.

Het afgelopen jaar heb ik hier herhaaldelijk gepleit voor de laatstgenoemde optie. Door overschotten nu te gebruiken voor aflossing van staatsschuld dalen op termijn de rentelasten van de overheid, waardoor geld vrijkomt voor de financiering van voorspelbare uitgavenstijgingen als gevolg van de komende vergrijzing van de bevolking (zorg, AOW). Op dit moment meer geld uitgeven voor zorg en onderwijs lost de in deze sectoren bestaande knelpunten niet op. Driekwart miljard per jaar voor de bestrijding van onderwijsachterstanden levert geen overtuigende verbetering op van de leerprestaties van uitheemse kinderen die met taal- en culturele achterstanden aan hun schoolloopbaan beginnen. Honderden miljoenen extra voor de zorgsector hebben geen eind gemaakt aan het verschijnsel van de wachtlijsten. Een combinatie van te hoog gestemde verwachtingen en perverse financiële prikkels staat hier garant voor beleidsfiasco's, ook wanneer het parlement extra geld beschikbaar stelt. Willen volksvertegenwoordigers al meer middelen voor deze sectoren beschikbaar stellen, dan ligt het geld overigens voor het oprapen. Door bijvoorbeeld alsnog de volstrekt onrendabele plannen voor de HogeSnelheidsLijn af te blazen komt in het komende decennium meer dan tien miljard gulden beschikbaar voor investeringen in menselijk kapitaal waarvan premier Kok zich afgelopen zondag zo'n warm voorstander toonde.