Servische samenleving redt het niet zonder Westerse hulp

Zonder omvangrijke hulp uit het Westen komt geen einde aan de voortdurende ellende waarin de Servische samenleving verkeert en zijn democratische hervormingen uitgesloten, meent Sonja Biserko. Opheffing van de economische sancties zou daarom een gebaar van goede wil zijn jegens de burgers van Servië die thans door zowel het regime als de oppositie worden gegijzeld.

De inspanningen die de internationale gemeenschap zich de afgelopen maanden heeft getroost om de `democratische' krachten te steunen en Servië dichterbij Europa te laten komen, hebben tot dusverre gefaald. Dit ligt in de eerste plaats aan het gebrek aan inzicht in de Servische samenleving, die een wezenlijke verandering heeft ondergaan. Hierdoor is Servië juist verder vervreemd geraakt van de waarden die in het Westen worden gehuldigd. Apathie, demoralisering, uitzichtloosheid en armoede staan elk serieus verzet van de bevolking in de weg.

Het regime en de oppositie hebben beide hun legitimiteit verloren doordat zij elke visie op de toekomst van Servië missen. Daar komt nog bij dat tal van particuliere organisaties, onafhankelijke media, prominente personen, nationale instellingen en burgers in de ruimste zin van het woord eveneens in uiteenlopende mate verantwoordelijk zijn voor de ontstane situatie in het land.

Ook de bemoeienis van de internationale gemeenschap met de Joegoslavische oorlogen deugde niet. In de eerste plaats heeft men de oorlog op de Balkan niet tijdig zien aankomen. President Miloševic heeft kundig de vinger op de wond van de internationale organen gelegd. Daarbij hield hij de vaart in zijn destructieve beleid doordat hij de internationale gemeenschap telkens weer voor voldongen feiten wist te stellen. En tot slot heeft de militaire campagne van de NAVO de afscheiding van Kosovo en Macedonië verhinderd.

Het Westerse streven Miloševic te elimineren en tegelijkertijd de oppositie te verenigen lijkt inmiddels achterhaald. Miloševic zal vroeg of laat het veld ruimen en de oppositie hoogstwaarschijnlijk ook. Hun tijd is voorbij. Servië heeft thans behoefte aan nieuwe mensen, aan nieuwe ideeën. Er moet een langetermijnstrategie worden uitgestippeld en die moet beginnen met het vaststellen van de grenzen om Servië.

In de bestaande context zal een herstelprogramma van zeer beperkte omvang zijn. Wat ons te doen staat is de economie en de democratische instellingen te stabiliseren en hun totale ineenstorting te voorkomen. Pas daarna kan over een overgang worden gesproken. Servië heeft de kans zich aan te sluiten bij het Europese eenwordingsproces gemist, maar elk verder uitstel zou Servië definitief van Europa kunnen isoleren.

Een tien jaar durende afbraak van de samenleving in al haar geledingen is een unieke ervaring die diepgaande analyse behoeft. Servië is, als veroorzaker van de oorlog en de chaos op de Balkan, een van de weinige landen in de regio die niet onder het protectoraat van de internationale gemeenschap staan of onder bijzondere regelingen van EU of NAVO vallen. Servië is te klein om de benodigde energie voor veranderingen uit zichzelf te putten, en bovendien heeft het te lijden onder sancties. De huidige situatie voert Servië naar een geheel nieuwe situatie, naar een `nieuwe' maatschappij met `nieuwe' waarden, ongeveer zoals het Cuba van Castro.

De bestaande economische sancties kunnen niet langer het verwachte effect sorteren, zoals het aanzetten tot een opstand onder de bevolking. De burgers hebben hun behoeften intussen aangepast aan de nieuwe realiteit. De gedaanteverwisseling van de samenleving heeft een proces van differentiëring op gang gebracht. Aan de ene kant ontstaat een nieuwe, criminele toplaag en aan de andere het `vulgus'. De verwording van de bevolking tot `vulgus' vernietigt ook de laatste resten van de samenleving.

De economische sancties maskeren de feitelijke toestand van de Servische economie, waarin geen sprake meer is van productie en nauwelijks meer van export. De afgelopen tien jaar is Servië al zijn buitenlandse afzetmarkten en het bijbehorende commerciële netwerk kwijtgeraakt. Onder zulke omstandigheden mag men geen buitenlandse investeringen verwachten. Bovendien gebruikt het regime de sancties om de toch al diepgewortelde anti-Westerse sentimenten in de maatschappij verder aan te wakkeren.

De steeds toenemende repressie en staatsterreur, die zich inmiddels uitstrekken tot alle sferen van het sociale leven, de universiteiten, de media, de magistratuur en het zelfbestuur op lokaal niveau, weerspiegelen de zwakte van het bestuur. Daarbij komt nog de continu doorgaande brain drain van de jongere generatie, zodat een uitgehold onderwijsstelsel niet de elite zal kunnen voortbrengen die nodig is voor de wederopbouw van het land.

Ook mag men niet de enorme aantallen oorlogsmisdadigers vergeten die Servië nu nog telt, of het feit dat het land bestuurd wordt door degenen die van oorlogsmisdaden zijn verdacht. Zij staan iedere vorm van verandering in de weg en dreigen bovendien deze samenleving ook in de toekomst voor elke verandering immuun te maken.

Het gebrek aan alternatieven en de onmogelijkheid veranderingen aan te brengen, prolongeren de ellende binnen de Servische samenleving. Zonder omvangrijke hulp vanuit het Westen is er dan ook geen kans op herstel. Opheffing van de sancties zou daarom een gebaar van goede wil zijn jegens de burgers van Servië die thans door zowel het regime als de oppositie worden gegijzeld. Steun voor plaatselijke instellingen in heel Servië zou wellicht de eerste aanzet tot het begin van herstel van onze samenleving kunnen zijn.

Sonja Biserko is lid van het Helsinki-comité voor de mensenrechten in Servië.