Scheurtjes in een almachtig bolwerk

Een hechte katholieke gemeenschap, verdeelde protestanten. Dat was het overheersende beeld van kerkelijk Nederland aan het einde van de vorige eeuw.

HET KERKELIJK LANDSCHAP in Nederland rond 1900 was volop in beweging. Ook toen was Nederland een multicultureel land, zij het anders dan nu. Moslims en boeddhisten waren er nauwelijks – bij de volkstelling van 1899 werden er 33 geregistreerd – maar er was een breed spectrum aan kerken, kerkelijke aftakkingen en zuilen. En dus ook tegenstellingen: tussen gelovigen en onkerkelijken (ruim 115.000 in 1899), tussen katholieken en protestanten en tussen protestanten onderling.

Met name binnen die laatste groep – de protestanten – werd rond de vorige eeuwwisseling veel strijd gevoerd over de leer. In de ooit almachtige Nederlandse Hervormde Kerk kwamen `rekkelijken' (vrijzinnigen) en `preciezen' (orthodoxen) lijnrecht tegenover elkaar te staan. De rekkelijken trokken de absolute waarheid van het geloof in twijfel; de preciezen wilden vasthouden aan `de zuivere prediking van het evangelie van Gods genade', zoals ruim twee eeuwen eerder vastgelegd in de Dordtse Synode.

De strijd had niet alleen een theologische, maar ook een sociale dimensie; de `kleine luyden' hadden vaak een orthodoxe inborst, de gegoeden een progressieve. Toen in 1867 binnen de hervormde kerk een nieuw reglement van kracht werd dat de macht van de door gegoeden beheerste kerkenraden inperkte, was het hek van de dam. De discussies mondden uit in felle strijd; deze strijd culmineerde in een geruchtmakend incident dat de vaderlandse geschiedenis inging als de Doleantie (letterlijk: beklag).

Op 6 januari 1886, zo rond het middaguur, verwierf een groep met zaag en bijl bewapende mannen zich illegaal toegang tot de consistoriekamer van de Nieuwe Kerk in Amsterdam. De actie – die op touw was gezet door de rechtzinnige Amsterdamse predikant Abraham Kuyper – vormde een protest tegen de meer progressieve weg die de hervormde kerk was ingeslagen. Kuyper, die in 1870 in dienst was getreden van de Nieuwe Kerk, werd tot zijn onvrede steeds meer tegengewerkt door liberale predikanten. Wat begon als een conflict over kerkelijke goederen – de Amsterdamse predikant vond dat deze in handen van de kerkenraad moesten blijven – eindigde in een scheuring binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. En: de oprichting, in 1892, van de Gereformeerde Kerken in Nederland, een alliantie tussen de honderden `dolerende' kerken en driekwart van de christelijk-gereformeerden die zich ruim een halve eeuw eerder al van de Hervormde Kerk hadden losgemaakt, tijdens de zogenoemde Afscheiding.

In de volkstelling van 1899 wordt geen onderscheid gemaakt tussen rekkelijken en preciezen. Maar onderzoek leert dat in dat jaar ruim de helft van de toen drie miljoen protestanten een orthodox protestantisme aanhing. Het merendeel van deze orthodoxen maakte nog altijd deel uit van de Hervormde Kerk Nederland. Ruim een kwart van de `preciezen' had zich van de hervormde kerk gedistantieerd en ging nu door het leven als `gereformeerd'. De invloed van deze laatste groep blijkt het grootst in de provincies Friesland, Groningen en Drenthe, waar gereformeerden in 1899 respectievelijk 17,5, 15,3 en 12,2 procent van de bevolking uitmaken. Deze gereformeerden vormden de harde kern van de orthodox-protestantse zuil en waren nauw betrokken bij de oprichting van een eigen politieke partij, de ARP.

Meer dan hun protestantse geloofsgenoten vormden de 1,8 miljoen katholieken in 1900 een homogeen bolwerk met een – zeker voor die tijd – hechte zuil. Er werden tal van katholieke verenigingen en organisaties opgericht: zondagsscholen, broederschappen, gestichten, werkplaatsen, vrouwenverenigingen en zendingsbonden. Priesters hadden in die tijd een veelomvattend takenpakket; ze waren politiek geëngageerd, betrokken bij bestuurswerk, de schoolstrijd en het jaarlijkse algemeen huisbezoek. De katholieke priester Alphons Ariëns – beter bekend als de grondlegger van de rooms-katholieke vakbeweging – zette zich rond de eeuwwisseling met succes in voor de Twentse textielarbeiders. Vooral in Noord-Brabant en Limburg vierde het (rooms-)katholicisme hoogtij: daar bestond de bevolking volgens de volkstelling van 1899 voor respectievelijk 87,9 en 98,1 procent uit rooms-katholieken.

De ruim honderdduizend `Israelieten' waren een vreemde eend in de bijt. Hier en daar werd een eigen joodse school, ziekenhuis, krant of weekblad opgericht (het Nieuw Israëlitisch Weekblad dateert uit 1865), maar tot echte verzuiling kwam het nooit. Ook de Nederlandsche Zionistenbond, opgericht in 1899, vond aanvankelijk weinig weerklank. `Dat is per se niet zoo belangrijk' schreef het Nieuw Israëlitisch Weekblad kort na de oprichting van de bond; het zionisme was volgens het blad beter besteed aan de onderdrukte Oost-Europese joden – zij hadden wèl een uitweg nodig. In 1900 had het jiddisch het als voertaal afgelegd tegen het Nederlands en had het joodse godsdienstonderwijs de strijd verloren van het `maatschappelijke onderwijs'. Het gebrek aan verzuiling had niet alleen te maken met de kleine omvang van de joodse gemeenschap (hoewel drie keer de huidige omvang), maar ook met onderlinge verdeeldheid: tussen orthodoxe en vrijzinnige joden; tussen joden uit Mokum – dat rond de eeuwwisseling 56 procent van de joden herbergde – en joden uit de mediene; tussen sefardim (Portugese joden) en asjkenazim (Hoogduitse joden).

Aan het eind van de negentiende eeuw worden de traditionele geloofsgemeenschappen verrast door nieuwe, veelal uit het buitenland geïmporteerde godsdienstige groeperingen, die in de twintigste eeuw een aanzienlijke omvang zouden bereiken: de vrije evangelischen (ruim 3.000 volgens de volkstelling van 1899), de baptisten (2.200), het Leger des Heils (253) en de Apostolischen (2.800).

Maar de werkelijke bedreiging kwam uit geheel onverwachte – socialistische – hoek. De lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis was een van de eersten die hun kansel verruilden voor de socialistische beweging, omdat hij bij zijn kerk sociale bewogenheid miste. ,,Voor mij is niet het christenzijn, maar het menschzijn de hoofdzaak; voor een kerkgenootschap is het omgekeerde het geval'', zo verklaarde hij zijn overstap in 1879 nader. Ook anderen beschouwden het socialisme als alternatieve religie – met alle gevolgen van dien. Telde Nederland in 1879 nog 12.000 onkerkelijken, twintig jaar later was hun aantal opgelopen tot 115.000. Zo'n snelle toename is zelfs in de twintigste eeuw met moeite gehaald.

Bronnen. Hans Knippenberg: `De religieuze kaart van Nederland – omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de reformatie tot heden, 1992', uitgeverij Van Gorcum; Knippenberg: `Polarisatie en versnippering: kerk en godsdienst in 1900, presentatie voor een symposium van het CBS op 29 oktober j.l.'; A.F. Manning: `Nederland rond 1900, 1993', Reader's Digest NV; Paul Post, Peter Nissen, Charles Caspers: `Religiebeleving in het katholieke huisgezin rond 1900, 1995', Trajecta.