Op iedere straathoek een bibliotheek

Vrouwelijke schrijvers werden meer gelezen dan mannelijke, winkelbibliotheken verkochten pornografie en colporteurs kwamen met leeswaar langs de deur. Lezen in 1900.

WAT WERD ER rond 1900 gelezen en door wie? Meesmuilende critici van toen zouden, net als hun huidige collega's, beweren dat schrijven en lezen zo zoetjesaan een vrouwenzaak aan het worden was. Er waren immers in 1898, ter gelegenheid van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, maar liefst 447 schrijfsters geteld, en de uitgevers hadden steeds nadrukkelijker ook de vrouw-als-lezer op het oog. Onderwerpen die de algemene boekenmarkt van 1900 domineerden waren talloze vrouwenzaken (huwelijk, hygiëne, kraamtijd, opvoeding, kleding), Nederlands-Indië, het aanstaande huwelijk van Wilhelmina en de Boerenoorlog.

De eeuwwisseling zelf was geen topic voor lezend Nederland, alleen het prentenboek Toen en nu. Van 1801 tot 1901 refereerde daaraan. Sla je het Nieuwsblad voor den Boekhandel jaargang 1900 op een willekeurige pagina open, dan zie je de aankondiging van aflevering 1 van De Indische Natuur (redactie Zehnter & Kamerling), Op de bergen van Transvaal; Voordracht in Dichtmaat door R. Boon, Nieuwste portretten van H.M. Koningin Wilhelmina in Gala-toilet, in 2 Poses (alsmede van haar verloofde in gewoon en in rijkostuum) en dr. Anna Fischer-Dückelmanns Het seksueele leven der Vrouw, waarover Frans Netscher blijkens de advertentie zou hebben opgemerkt: ,,Een goed en leerzaam boek, dat niet alleen in handen van vrouwen doch ook van getrouwde mannen behoort te komen.''

Maar het meest in trek waren romans. Als je gaat uitzoeken welke romans rond 1900 het meest gelezen werden, blijkt voor de zoveelste keer hoe sterk de smaak van de lezers afwijkt van wat later in de literatuurgeschiedenis terechtkomt. Want dáár lees je dat rond de eeuwwisseling de Tachtigers nog steeds triomfen vierden: Albert Verwey en Lodewijk van Deyssel met hun Tweemaandelijksch Tijdschrift, Frederik van Eeden met zijn Van de koele meren des doods. Je leest over Couperus, over de socialistische dichters H. Roland Holst en H. Gorter, en dat het naturalisme met schrijvers als Marcellus Emants en Frans Coenen op zijn hoogtepunt verkeerde. Het zal best, maar gelezen werden ze amper.

Aan toptienen en andere succeslijstjes deed men rond 1900 nog niet. Wat het best verkócht, valt dus niet meer te achterhalen. Maar een onderzoek onder de lezers van de Amsterdamse Nutsbibliotheek tussen 1899 en 1901 toonde aan dat vooral buitenlandse schrijvers als G. Samarow, Natalie von Eschtruth en de naar de mode van die tijd met slechts de naam `Ouida' getooide schrijfster favoriet waren. Onder de Nederlandse auteurs scoorden schrijfsters hoger dan hun mannelijke collega's. Therèse Hoven, Melati van Java en Catharina Alberdingk Thijm (zus van Lodewijk van Deyssel) werden meer gelezen dan de nummer een en twee bij de mannen: Louis Couperus en de latere journalist Henri Borel van wie in 1900 Het Zusje verscheen. In de Rotterdamse toptien vallen de Vassallucci-achtige titels van de meestgelezen boeken op (De negen dochters, Het verloren kind).

Naast de geciviliseerde nutsbibliotheken waren de zogenoemde winkelbibliotheken in trek. Dit waren kapperszaakjes, sigarenwinkels, schoenmakers of boekwinkels met tussen de andere koopwaar een plankje verfomfaaide boeken van een lager allooi. Het ging om `Amerikaansche Detective-romans', of fel-realistische boeken waarmee doorgaans pornografie werd bedoeld. Titels als Jodenbordelen, Onthullingen uit Donkere Huizen of Liefdesavonturen van een Officier der Uhlanen kon je er voor een stuiver of meer lenen. Zelfs bestond de mogelijkheid om voor een uur de krant te huren. Laagdrempeliger kon haast niet. Op iedere straathoek was wel zo'n leesbibliotheekje te vinden.

Kerkelijke gezagsdragers hadden de in hun ogen zedenbedervende bibliotheekjes het liefst gesloten. Medici en opvoedkundigen waren er (overigens ten onrechte) vast van overtuigd dat de beduimelde bibliotheekexemplaren besmettelijke ziekten konden overbrengen. Een goede bibliotheek had daarom een ontsmettingsinrichting in huis en stempelde in de boeken een waarschuwing: `De Bibliothecaris van de Openbare Leeszaal, wijst de lezers op het gevaar voor besmetting wanneer bij het omslaan der bladen de vingers met speeksel worden bevochtigd.'

Voor lezers uit de middenklasse was de aanschaf van een boek niet duur. Je kon destijds al voor 50 cent een herdruk van een bekende Nederlandse roman uit de voorbije eeuw, bijvoorbeeld van Jacob van Lennep, kopen. Maar een nieuw boek kostte gemiddeld twee gulden en een abonnement op een tijdschrift zo'n vier gulden per jaar. Dat was voor ongeschoolde arbeiders veel geld. Voor wie wel wilde kopen, maar dergelijke bedragen ineens niet kon opbrengen, waren boeken-in-afleveringen een oplossing. Slimme uitgevers hakten een roman in flinterdunne, dus betaalbare afleveringen met steevast een cliffhanger aan het slot. De eerste aflevering van zo'n roman met een smakelijke titel als De slaapwandelaarster van Parijs werd door een colporteur huis aan huis verkocht. De argeloze lezer zat na lezing van aflevering 1 in de val: hij was gedoemd om alle (en dat kon in de honderden lopen) afleveringen aan te schaffen om te ervaren of de wandelaarster ooit nog wakker werd.

De `colportageroman' was een begrip, evenals de colporteurs, en beide werden wegens gebrek aan kwaliteit gezien als een smet op het blazoen van de vaderlandse boekenmarkt.

Een andere uitgeverstactiek was het uitgeven van romans in series met gezellige namen als `Huisbibliotheek' of `Voor den Coupé', die een indicatie geven van waar de boeken gelezen werden. Wie op een serie intekende kon een cadeau tegemoet zien, variërend van een boek of een prent tot een lotnummer waarmee een horloge of zelfs een compleet ameublement in de wacht kon worden gesleept.

Een abonnement op een tijdschrift of krant ging vaak vergezeld van een ongevallen- of levensverzekering. Voor de abonnees van Het geïllustreerd stuiversblad was daarbij wel de eis gevoegd dat `de ongelukkige het laatst verschenen nummer' ten tijde van het ongeval bij zich moest dragen.

Over het geheel genomen waren de boeken uit 1900 mooi om te zien. Het doorsneeboek uit 1900 was gebonden in een gekleurde kartonnen band met een fleurige illustratie of een sobere reliëfstempel, soms met een gouden belettering op het omslag. In kleine kring deden de sierlijke art-nouveaubanden, veelal ontworpen door kunstenaars als C.A. Lion Cachet, G.W. Dijsselhof en J. Thorn Pricker, het goed.

Goedkope uitgaven of brochures hadden een eenvoudig, grauw papieren omslag. Wie nu op tweedehandsmarkten naar boeken uit dit tijdvak speurt, merkt dat vooral van die goedkopere uitgaafjes het papier aan het verzuren en verpulveren is en de tweeëntwintigste eeuw niet zal halen. Dat geldt vermoedelijk ook voor de meeste schrijvers van toen.