Geschiedenis en kunst gaan goed samen

Het Rijksmuseum moet zijn kunst- en geschiedeniscollecties integreren binnen verantwoorde grenzen, meent Wim Vroom. Aldus kan een fraai panorama worden opgeroepen van de Nederlandse cultuurgeschiedenis sinds de Middeleeuwen.

Al sinds 1911 wordt in Nederland de zogenoemde `museumdiscussie' gevoerd en Geert Janssen draagt daar met zijn bijdrage in deze krant van 16 december een steentje toe bij.

De knapste koppen van destijds namen aan de discussie deel, onder wie de Utrechtse archivaris Samuel Muller Fzn., de latere Rijksmuseumdirecteur F. Schmidt Degener, de beroemde verzamelaar Frits Lugt en last but not least de cultuurhistoricus Johan Huizinga. Eén van de kernvragen was ook toen: kunnen voorwerpen van kunst en geschiedenis ongestraft in één museumopstelling worden gemengd, verdragen die elkaar wel?

De toenmalige opstelling in het Rijksmuseum, waar allerlei antiquarische objecten naast schilderijen en producten van kunstnijverheid in een bonte mengeling en in grote hoeveelheden waren opgesteld, gaf aanleiding tot zeer kritische beschouwingen, ook in het buitenland. Het Rijksmuseum heette `das Schmerzenkind unter den Museen Europas'. Omstreeks 1925 hakte directeur Schmidt Degener de knoop door: er kwam, naast de afdelingen voor schilderijen en voor voortbrengselen van kunstnijverheid, een nieuwe afdeling voor de Nederlandse geschiedenis. Zo is het tot de dag van vandaag gebleven.

De achterliggende gedachte ten faveure van die scheiding tussen voorwerpen van kunst en geschiedenis, tussen bijvoorbeeld het Straatje van Vermeer en de kist van Hugo de Groot, is van principiële aard. Kunstwerken illustreren de kunst niet, zij zijn de kunst; historische voorwerpen daarentegen illustreren de geschiedenis, zij zijn de geschiedenis niet, zegt Schmidt Degener. Of, in de woorden van Huizinga: wie het Rijksmuseum bezoekt moet een keuze maken tussen schoonheid en herinnering, waarbij die laatste een sensatie kan oproepen die even diep is als het kunstgenot.

De hamvraag is of die visie heden ten dage nog in volle omvang kan worden onderschreven. Zij gaat uit van een sacralisering van de schoonheid als een absolute, tijdloze categorie, die zonder de hinderlijke ruis van historische informatie moet worden beleefd. Namen van voorgestelden van portretten werden bijvoorbeeld in de bijschriften weggelaten, want die leidden maar af van de zuivere kunstbeschouwing. Het onderscheid tussen voorwerpen van kunst en geschiedenis is zeker verdedigbaar, maar de behoefte om die tegenstelling aan te scherpen is verdwenen. Integendeel: er is nu veel meer dan voorheen, ook onder kunsthistorici, intense belangstelling voor de historische achtergronden van kunstwerken, voor hun maatschappelijke functie en betekenis. Dat geldt ook voor het nog steeds toenemende museumpubliek.

In de dagelijkse museumpraktijk geeft die scheiding van afdelingen bovendien aanleiding tot allerlei tegenstellingen: de conservatoren van de kunstafdelingen kijken met enige afgunst naar de kunstwerken die zich in de afdeling geschiedenis bevinden en vice versa. Een voorbeeld. Toen het beroemde portret van de jonge stadhouder Willem II en zijn Engelse bruid niet langer aan Antonie van Dijck werd toegeschreven, maar aan diens atelier, was het welkom in de afdeling geschiedenis. Er ontstond echter een probleem toen een beroemde Engelse kunsthistoricus onomstotelijk kon aantonen dat het wel degelijk om een werk van Van Dijck ging en wel het laatste dat uit zijn handen kwam.

Er is veel te winnen bij een integratie van kunst en geschiedenis binnen het Rijksmuseum. Er kan een schitterend panorama worden geëvoceerd van de Nederlandse cultuurgeschiedenis sinds de vroege Middeleeuwen. Maar alleen binnen duidelijke randvoorwaarden. Veruit de belangrijkste daarvan is hiermee al aangegeven. Een mengeling met de niet-Nederlandse (of beter de niet met de Nederlandse cultuur en geschiedenis verbonden) kunstwerken, van hoe groot belang die ook mogen zijn, is heilloos en leidt tot een onevenwichtige, onheldere en daardoor ook vermoeiende presentatie. Vanouds is het Rijksmuseum een Nederlands museum van geschiedenis en kunst – een nationale schatkamer in de woorden van Henk van Os. De aanwinsten op het gebied van de buitenlandse kunst dateren vrijwel alle van na de Tweede Wereldoorlog. Juist in een periode van Europese eenwording is een museum dat de Nederlandse culturele identiteit – in positieve, soms ook in negatieve zin – in één gesloten presentatie laat zien van wezenlijke betekenis.

Een tweede voorwaarde is dat in sommige gevallen historische objecten in samenhangende clusters worden gepresenteerd: het eigen karakter van historische voorwerpen, zoals de kist van Hugo de Groot of het stokske van Van Oldenbarnevelt, vraagt nu eenmaal om eigen presentatietechnieken die anders van aard zijn dan die bij kunstwerken.

Een derde voorwaarde is dat de opstelling wordt doorgetrokken tot de dag van vandaag. Dat werd al ingezien bij de hierboven gememoreerde museumdiscussie: `het historisch museum moet betrekking hebben op de geschiedenis van den vroegsten tijd tot heden'. Meer dan bij de beeldende kunst wordt bij de geschiedenis een levende band met het verleden beleefd vanuit het heden.

Zo'n aanpak vereist een helder cultuurhistorisch concept, zonder dat wordt geschermd met hinderlijke stoplappen als `visuele logica', die in de plaats moet komen van `conceptuele logica'. Het gevaar dat de geschiedenis wordt gereduceerd tot een sfeeroproepende achtergrond en tot een context van de beeldende kunst is niet denkbeeldig, maar geenszins onvermijdelijk. Alles hangt af van de denkkracht en de creativiteit van het Rijksmuseum. Schoonheid en herinnering verdragen elkaar heel goed.

Wim Vroom is voormalig directeur van de afdeling Nederlandse geschiedenis van het Rijksmuseum.