Elitair en weinig ambitieus

Alleen de rijken hadden vroeger tijd voor een economisch zinledige bezigheid als sport. En wie de voetbaluitslagen wilde weten, moest naar het station.

DE OLYMPISCHE SPELEN van 1900 hadden een persoonlijk succes moeten worden voor de vader van de moderne olympische gedachte, Pierre de Coubertin.

Persoonlijk had hij er voor gezorgd dat deze in zijn vaderland werden gehouden, in Parijs. Om extra aandacht te trekken had hij de Spelen ondergebracht bij de Wereldtentoonstelling, die toen ook in Parijs was. Het werd een enorme mislukking, omdat de Spelen in de schaduw vielen van dat andere evenement.

De eerste Nederlandse olympische kampioenen waren de roeiers François Brandt en Roelof Klein, maar die hebben dat zelf nooit geweten. Hun hele leven hebben ze gedacht dat ze wereldkampioen waren geworden in 1900, zoals blijkt uit brieven die ze later hebben verstuurd naar vrienden. Van deelname aan een olympisch toernooi wisten ze niets.

De sportbeoefening in Nederland van precies honderd jaar geleden was compleet anders dan nu. Toen waren het vooral mensen uit de allerhoogste sociale klassen die tijd en geld genoeg hadden om zich bezig te houden met een economisch zinloze bezigheid als voetbal, cricket of roeien.

Voor diegenen die het maatschappelijk minder hadden getroffen, was sport iets uit een andere wereld. In hun wereld moest er hard worden gewerkt door iedereen uit het gezin, om de dagelijkse nood te weerstaan.

Een klein sportwereldje dus, met een elitair karakter. Verder was sport in die tijd vrij slecht georganiseerd, alhoewel de eerste nationale bonden in die jaren voorzichtig werden opgericht. De spelregels waren nog niet algemeen geaccepteerd, zodat de Nederlandse hockeyers eigen reglementen hadden die nergens anders werden geaccepteerd. Hier mochten mannen en vrouwen in één team uitkomen, wat in andere landen was uitgesloten.

De hockeyers waren daardoor internationaal geïsoleerd, maar dat interesseerde ze weinig. Pas in 1924 werd dat isolement verlaten en konden de Nederlandse hockeyverenigingen zich na dertig jaar (de sport dateert uit 1891) internationaal meten.

De scheiding tussen sport en kermis was nog niet helemaal duidelijk. Mensen met een bepaalde gave, die zichzelf doorgaans hadden uitgeroepen tot wereldkampioen van hun sport, reisden rond om geld te verdienen met bijvoorbeeld worstelwedstrijden, waarbij de plaatselijke hulk het mocht opnemen tegen de wereldkampioen. Prachtige namen hadden ze: Dierick le Brasseur of Piri de Griek.

Soms bleken die namen mooier te zijn dan de praktijk van list en bedrog. ,,Orlando moet na twaalf minuten verliezen en dan de scheidsrechter te lijf gaan'', citeerde een sporttijdschrift rond 1900 uit een briefje van de begeleider aan zijn worstelaars. Het opstootje mocht trouwens niet al te lang duren, ,,want anders mist hij de trein naar Antwerpen''.

Op enkele sporten na speelde Nederland in internationaal opzicht een kleine rol. Dat bleek op de Olympische Spelen van 1908 in Londen, toen alleen de Nederlandse voetballers een bronzen medaille wonnen. Daarbij moet dan worden vermeld dat er slechts zes elftallen meededen, waarvan de twee (!) Franse uitermate slecht waren.

Tijdens die Spelen ontving men hier nog het bericht dat de Nederlandse zwemmers met een lengte verschil hadden verloren en dat stemde het thuisfront tevreden. `Zo slecht zijn we dus niet als we met één lichaamslengte verliezen', was de gedachte. Totdat duidelijk werd dat het om de lengte van het bad ging.

Natuurlijk waren ook in Nederland ambitieuze sporters die zich internationaal onderscheidden, maar dat waren uitzonderingen.

In Haarlem bijvoorbeeld, waar Jaap Eden in de jaren negentig van de vorige eeuw in één jaar wereldkampioen werd als schaatser en als wielrenner. Maar ook bij hem was alles anders dan bij de topsporter van nu: Eden stond berucht als uiterst gemakzuchtig en ongedisciplineerd. Na een korte en hevige carrière verdween hij uit de aandacht en stapte vereenzaamd in het graf. Een graf dat met geld van een inzameling werd voorzien van een monument voor de eens zo grote sportman.

Rond de eeuwwisseling trok ook de Amsterdamse zwemmer Piet Ooms internationaal de aandacht. Samen met zijn onafscheidelijke verzorger Bram Velleman was hij onverslaanbaar op de lange zwemafstanden van twintig kilometer of meer. Als Ooms al eens een inzinking kreeg, was Velleman niet te beroerd om vanuit zijn begeleidende boot in het water te springen om met een halve fles champagne de zwemmer op te beuren.

Publieke belangstelling trokken dergelijke fanaten wel, maar de dagbladen voelden er nog niets voor om een speciale sportredacteur aan te stellen. Liefhebbers moesten hun informatie vooral uit speciale sporttijdschriften halen.

Als iemand al op zondagmiddag wilde weten wat de uitslagen waren in de plaatselijke voetbalcompetitie, moest hij naar het treinstation om de spelers op te wachten.

Sportjournalist M.J. Adriani Engels beschreef hoe het er 's zondags toeging: ,,In het spoorwegkruispunt Groningen kreeg men de meeste bijzonderheden over de wedstrijden in de loop van de avond, als het Asser Achilles daar b.v. overstapte uit Winschoten, H.S.C. doorreisde uit Leeuwarden naar Hoogezand-Sappemeer, Be Quick aankwam uit Veendam enz. enz.''

Maar in het algemeen was het Nederland van 1900 niet zo gek op sport als nu. Atleten schreven zich in onder een andere naam, omdat dat hardlopen in strijd werd geacht met het goede fatsoen. Als zo'n wedstrijd al doorging, want de vertegenwoordigers van de overheid zagen daarin met grote regelmaat een bedreiging van de openbare orde. Atletiekwedstrijden werden verboden, het boksen was in strijd met de goede zeden, het gokken bij paardenrennen was uit den boze.

Zo rond 1900 vroeg een zwemclub een vergunning aan voor een race over 600 meter in openbaar water. Die werd verleend, onder voorwaarde dat de sporters rekening hielden met de politieverordening, die zwemmen in openbaar water verbood.

De afkorting van de Nederlandse Atletiek Unie werd daarmee symbool voor Nederlandse sporters op internationaal niveau. NAU moest gelezen worden als `Na U', want meestal waren de buitenlandse sporters al over de streep als de onzen nog onderweg waren. Misschien was dat wel geheel in overeenstemming met de Nederlandse volksaard, die bekend stond als afhoudend en conservatief en afkerig van uitslovers.

,,Stel een Nederlander een vraag'', zei een buitenlandse commentator eens, ,,en hij wil dat je de vraag opnieuw stelt. Niet omdat hij het antwoord niet weet, maar om extra bedenktijd te krijgen.'' Zo is de sport van honderd jaar geleden wellicht het best te omschrijven: rustig en weinig ambitieus.

En anders geldt wel de uitspraak van een radeloze en temperamentvolle bezoeker uit het zuiden van Europa, die gek werd van het ingetogen Nederlandse leven: ,,Breng de Etna naar Nederland en binnen een dag zal zij ophouden te borrelen!''