Een proto-Belg die van de Lage Landen hield

De negentiende eeuw markeert de geboorte van Europese naties: Duitsland en Italië werden samengesmeed, België werd een zelfstandige staat en, net als Nederland kort daarvoor, een monarchie met een nieuw koningshuis. Om hun legitimiteit te benadrukken zochten de nieuwe naties de geschiedenis die ze in feite niet bezaten in het rijke reservoir van de Europese historie. Geschiedkundigen speurden het verleden af naar aanwijzingen van een nationale identiteit avant la lettre, naar manifestaties van onderlinge verbondenheid tussen de voorvaderen, naar helden ook die tot voorbeeld konden strekken. Voor het jonge België waren bijvoorbeeld Julius Caesars opmerkingen over de Belgen als dapperste van alle Germaanse stammen koren op de molen van de ideologen. Maar ook de wapenfeiten van kruisvaarder Godfried van Bouillon of de Guldensporenslag lagen voor de hand. Deze episoden uit de geconstrueerde nationale geschiedenis inspireerden negentiende-eeuwse kunstenaars tot historieschilderijen die de nationale zaak ondersteunden.

De mooie tentoonstelling Mise-en-scène toont er enkele voorbeelden van, maar concentreert zich verder op een van de figuren uit het Belgische pantheon. Karel V, wiens belang voor heel Europa en de overzeese gebiedsdelen nu elders in Gent wordt benadrukt in de tentoonstelling Carolus, blijkt in de negentiende eeuw te zijn uitgegroeid tot proto-Belg bij uitstek. Keizer Karel was in 1500 geboren in Gent, deed 55 jaar later in Brussel afstand van de troon, en zou volgens de overlevering bijzonder gehecht zijn geweest aan de Lage Landen. De belangrijkste episoden uit zijn leven zijn door Belgische schilders met enthousiasme in beeld gebracht. De verdienste van de tentoonstelling ligt niet alleen in de inventarisatie en presentatie van deze, altijd nogal veronachtzaamde werken. Ook wordt aandacht besteed aan de manier waarop het beeld van Karels levensloop, zoals dat oprijst uit de schilderijen, in verband staat met negentiende-eeuwse visies op het veronderstelde nationale verleden, op macht, koningschap en alles wat daarbij hoort. De `mise-en-scène' uit de titel duidt op beeldtradities waarbij schilders, in hun voorstellingen van Karels leven, aanknoopten om associaties met die negentiende-eeuwse ideeën vorm te geven.

Een voorbeeld is een schitterend, levensgroot schilderij van Karel V als kind (1879), van Jan van Beers. Het werk toont Karel die, toen zijn vader Filips de Schone overleed, als jongen van zes diens troon overnam. Hier is dan ook niet een onschuldig kind weergegeven, maar een jongen met een ernstige blik die, in kostbare kledij, op een voorname zetel zit, zijn voeten rustend op een rijkbewerkt kussen. Het werk, in heldere kleuren en met een ongelooflijke aandacht voor het detail geschilderd, is in de compositie vergelijkbaar met andere negentiende-eeuwse portretten van kind-vorsten. Zo is in dezelfde zaal een Eerbetoon aan Clovis II te zien, waarin de jeugdige koningszoon onderuitgezakt op een voor hem veel te grote troon hangt, terwijl volwassenen hem nederig hulde brengen. Het thema van het kind op de troon fascineerde in de negentiende eeuw, toen de erfelijkheid van macht, zeker als die werd uitgeoefend door onmondige kinderen die zichzelf nog moesten bewijzen, niet meer vanzelfsprekend was.

Ook andere episoden uit Karels leven spraken de negentiende eeuw aan, en de jonge Belgische natie in het bijzonder. Na de eedaflegging waarmee Karel in 1515 het bestuur over de Nederlanden had opgenomen, werden `blijde inkomsten' in de steden gehouden. Daarmee stelde de nieuwe vorst zich voor aan zijn volk en betuigde hij formeel zijn respect voor de rechten en vrijheden van de steden. Een schilder als Hendrik Schaefels bracht de intrede van Karel V in Antwerpen in 1873 in beeld op een manier die vergelijkbaar is met de Inhuldingsplechtigheid van Leopold I in Brussel, die Ferdinand de Braekeleer zeven jaar eerder schilderde, compleet met triomfbogen voorzien van guirlandes en vaandels. Als eerste koning van België wekte Leopold dezelfde verwachtingen als zijn illustere voorganger en werd hij ook hij geacht een pact met het volk te sluiten. De auteurs van de mooi geïllustreerde en lezenswaardige, maar door herhalingen in de teksten wat ontsierde catalogus doen een stap verder dan het constateren van zulke formele overeenkomsten in de voorstellingen. Zij gaan nader in op de verwantschappen tussen de meer of minder historisch verantwoorde uitbeeldingen en de negentiende-eeuwse opvattingen die ze hebben bepaald. Verdeeld in afdelingen die, net als de zalen van de tentoonstelling, telkens een episode uit Karels leven of een concept, zoals diens staatmanschap, omgang met kunstenaars en rivaliteit met de Franse koning Frans I, als thema hebben, gaan telkens twee essays in op respectievelijk de kunst- en de cultuurhistorische achtergronden.

Daar wordt pas duidelijk hoe de afdeling `oorlogen' begrepen moet worden. De negentiende eeuw verbande fysiek geweld zoveel mogelijk naar de verbeelding van de literatuur, maar blijkt tegelijkertijd bewondering te hebben gehad voor het wapengekletter van de heldhaftige heersers uit de vaderlandse geschiedenis. De expositie toont echter voorstellingen van de weinig roemvolle plundering van Rome door keizerlijke troepen in 1527. Daarnaast is er alleen aandacht voor een nederlaag die keizer Karel in 1553 tegen de Fransen leed toen hij zich gedwongen zag het beleg van Metz op te heffen. Een loei van een schilderij van Lucien Mélingue uit 1878 toont, vol mededogen, de smadelijke aftocht van de oude keizer als een vermoeid en verslagen man. Niet als roemrucht lid van het Belgische pantheon.

Tentoonstelling: Mise-en-scène; keizer Karel en de verbeelding van de negentiende eeuw. Museum voor Schone Kunsten, Gent. T/m 19/3, geopend di. t/m zo. 10-18, woe. ook tot 21 uur; gesloten 25/12 en 1/1. Catalogus (red. Robert Hoozee, Jo Tollebeek, Tom Verschaffel); uitg. Mercatorfonds, 319 blz., BF 1280. Inl.: 0032 70 233888.