Een duit in het millenniumzakje

Ik had mij vast voorgenomen het woord millennium niet in de mond te nemen of uit mijn pen te laten vloeien, maar ik kan nu toch niet nalaten met een zekere trots te vermelden dat wij op het NIAS (het Netherlands Institute for Advanced Study in Wassenaar) dit probleem op een geheel eigen wijze hebben opgelost. Onder onze fellows (dat zijn er jaarlijks zo'n veertig, uit binnen- en buitenland) bevindt zich dit jaar namelijk de zeer Engelse historicus met de zeer Spaanse naam Felipe Fernández-Armesto. Deze bekende historicus is de auteur van een aantal succesvolle boeken. Een daarvan heeft de pakkende titel Millennium. De inhoud ervan is overigens minder actueel of sensationeel dan de titel wellicht doet vermoeden. Het gaat om een goed geschreven en helder gecomponeerd overzichtswerk over de wereldgeschiedenis van de laatste duizend jaar. Wereldgeschiedenis is in dit geval niet te veel gezegd, want het boek begint en eindigt in Japan en alle continenten hebben er een plaats in gekregen.

Het bijzondere van het boek van Fernández-Armesto is niet alleen dat het de hele wereld omvat, maar ook dat het zo'n lange periode beslaat, want duizend jaar is een tijdspanne die de spankracht van de meeste historici verre te boven gaat. Het boek verscheen in 1995 en op het omslag staat dat, nu het jaar 2000 nadert, wij dringend behoefte hebben aan een boek dat de geschiedenis van de laatste tien eeuwen beschrijft en verklaart. Is dat zo? Waarom tien eeuwen en niet vijf of zeven eeuwen? Waarom duizend en niet 900 of 99 jaar? Welk ander idee of concept ligt hieraan ten grondslag dan het tientallige stelsel dat sinds de Franse revolutie ook de periodisering van de geschiedenis beheerst (de Franse revolutionairen waren hier zo gek op dat zij de week vervingen door de decade, een `week' van tien dagen, die in 1793 werd ingevoerd en pas in 1805 door Napoleon weer werd afgeschaft). Historici doen hier (al `eeuwenlang'!) lustig aan mee, maar zij zitten er vaak ook een beetje mee in hun maag. Zij delen de geschiedenis inderdaad in eeuwen in (de gouden eeuw, de ijzeren eeuw etc.), maar zij komen daarmee lang niet altijd uit de voeten. Zij leggen daarom, als het zo uitkomt, de eeuwen op een soort procrustesbed: zijn zij te kort voor het verhaal dat men wil vertellen, dan worden zij uitgerekt; zijn zij te lang, dan wordt er aan de uiteinden een stuk van afgehakt. Zo beschreef de Britse historicus Eric Hobsbawm de twintigste eeuw als een Age of extremes, maar om dat te kunnen doen, moest die eeuw wel worden teruggebracht tot zevenenzeventig jaar (de tijd tussen 1914 en 1991). Zo kennen wij nu de `short 20th century', zoals wij al eerder de `lange negentiende eeuw' hadden leren kennen (1815-1914). Zo lang is die eeuw trouwens ook weer niet, want de `lange zestiende eeuw' duurde maar liefst tweehonderd jaar (1450-1650).

De eeuwen zitten ons historici dus soms in de weg, maar wij kunnen ook weer niet zonder ze. Huizinga wees er al op dat de beste oplossing voor het probleem van de periodisering was, het niet al te serieus te nemen. ,,Kleurloze tijdperkbenamingen, ontleend aan uiterlijke en toevallige cesuren, zijn de verkieslijkste'', schreef hij. Om diezelfde reden is het ook niet erg logisch om aan het eind van een eeuw een bijzondere betekenis toe te kennen. Toch is dat wel eens gebeurd, namelijk aan het eind van de negentiende eeuw, het zogenoemde fin de siècle. Dat naderende einde werd door de tijdgenoten erg serieus genomen. Later hebben ook sommige historici aan de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw een bijzondere betekenis toegekend. De Nederlandse historicus Jan Romein bijvoorbeeld beschouwde `het breukvlak van 1900' als een belangrijke historische cesuur. De Engelsman Geoffrey Barraclough plaatste de overgang van de moderne naar de contemporaine geschiedenis in diezelfde tijd. Hij liet de contemporaine geschiedenis dus niet, zoals de Fransen doen, beginnen met de Franse Revolutie maar ruim een eeuw later. Dit alles bewijst vooral hoezeer Huizinga gelijk had met zijn uitspraak dat men cesuren en periodiseringen niet al te exact moet proberen te maken en niet al te serieus moet nemen.

Was 1900 voor historici als Romein en Barraclough het begin van het nieuwe, de negentiende-eeuwers, althans de zeer beperkte culturele elite in een deel van West-Europa die zich hiervoor interesseerde, zagen het einde van hun eeuw als het einde van een tijdvak. Het fin de siècle was de korte tijdspanne tussen rijp en rot, de hoogste maar ook laatste bloei van een beschaving die aan de vooravond van haar onontkoombare ondergang stond. Dit soort gevoelens zijn mijns inziens in het geheel niet karakteristiek voor het tijdvak dat wij thans beleven. Er is eerder sprake van een krachtig zelfbewustzijn, niet alleen in Amerika – dat is evident – maar ook in Europa. Het idee dat de westerse beschaving op haar einde loopt of dat de westerse waarden hebben afgedaan, is opvallend afwezig. Integendeel, er bestaat een sterke neiging die westerse waarden als algemeen geldig op te vatten en ook onder diegenen die daartegen zijn en ervoor waarschuwen dat te doen, zijn er weinigen die voor zichzelf een ander stelsel prefereren. Noch de Aziatische levenswijze noch de islamitische cultuur oefent ook maar de geringste aantrekkingskracht op ons uit.

Een fin de siècle in de klassieke cultuurhistorische zin van het woord beleven wij dus niet. Evenmin is er sprake van de grote angst voor het einde der tijden die in Europa – alweer, alleen onder een beperkte elite – omstreeks het jaar 1000 te zien was. Aan het eind van de vorige eeuw dacht men aan het einde van een tijdvak, aan het eind van het vorige millennium vreesde men voor het einde van de wereld. De inspiratie hiervoor was in dit geval christelijk, maar bewegingen die het einde der tijden – en daaraan voorafgaand een duizendjarig paradijs op aarde – verwachten, vind je in tal van vormen en in allerlei culturen, vooral onder de armen en gedepriveerden. De aanhangers van Jan van Leiden in Münster in de jaren 1530, maar ook de mahdisten in de Soedan in de jaren 1880 en 1890 waren er voorbeelden van. Domela Nieuwenhuis, de charismatische profeet van het socialisme en de arbeidersbeweging aan het eind van de vorige eeuw, werd niet voor niets `us verlosser' genoemd. In deze laatste uren van de twintigste eeuw en van het tweede millennium lijkt er echter opvallend weinig emplooi te zijn voor mahdi's, ondergangsprofeten en verlossers.