De weeë geur van paardenstront

Overal schimmels in de huizen, kwajongens op transportfietsen en de kermis die tot losbandigheid leidt. Impressie van het dagelijkse leven in 1900.

DE LUCHT HIER in de straten lijkt soms wel stroop, zo zwaar en vol is ze. Wie een dag op het platteland is geweest voor de aankoop van levensmiddelen bij de boer, is de stadslucht voor even vergeten. Maar zodra het landschap zich vernauwt en de straten smaller en drukker worden, dringt ze zich onvermijdelijk weer op.

Pas na een paar uur heeft de weeë geur van paardenstront, omgevallen ontlastingtonnen en de walmende laag huishoudelijk vuil in de grachten zich weer in de neus vastgezet en draait de maag zich niet langer om. In vergelijking met met de ordentelijke provincie is de stad een beerput. Venters trekken langs de huizen, alwaar hun trekdieren als is het afgesproken een paardenvijg voor iedere deur achterlaten. De ontlastingtonnen staan soms dagen op straat, overvol en wachtend op de mannen van de gemeente die ze komen legen in de boldootkar.

Binnenshuis is de stank zo mogelijk nog benauwender, vooral waar de bewoners hun ontlasting op zolder of in de kelder bewaren om haar voor een paar centen als mest te verkopen aan de boeren buiten de stad. De vochtigheid in de een- of tweekamerwoningen in de stad maakt ze tot een paradijs voor schimmels en bacteriën. Ze zijn overal: op de muren achter het schamele behang, in het stro van de matrassen in de bedstee en zelfs in de kleding die bij gebrek aan schoon water nooit écht schoongewassen is.

Liever gaan de mensen hun huizen uit. De mannen des huizes begeven zich na de avondmaaltijd steevast met een rokende pijp naar de portieken, waar onderling het laatste nieuws wordt uitgewisseld. Er zijn revolutionaire plannen om de Zuiderzee af te sluiten, weet een van hen die een dagblad heeft weten te bemachtigen. En er is sprake van een Woningwet, die een einde moet maken aan de ziekmakende omstandigheden waarin het grootste deel van de bevolking leeft.

Dan is er nog het gerucht dat komend oud en nieuw iets wonderlijks te zien zal zijn in de lucht: gekleurde slierten van vuur die in de hemel uit elkaar knallen. Een frats die vanuit de koloniën komt, en waarschijnlijk alleen maar betaalbaar voor de rijken.

De vrouwen hangen uit het raam en horen het schampere gelach van hun mannen aan. Ze bemoeien zich niet met politiek, ze hebben hun handen al vol aan het kroost, dat bijna jaarlijks groeit. De jongsten spelen `Schipper mag ik overvaren', hinkelen of knikkeren op straat. Die gonst op zomeravonden van gemompel, kindergezang, het zenuwachtig gegiechel van jonge meisjes die gearmd rondslenteren en het gelal van een enkele dronkaard die zijn weekloon heeft verkwanseld in het café.

Maar de straat is niet meer wat-ie is geweest. Je bent je leven niet meer zeker sinds de winkeliers helse kwajongens op transportfietsen door de stad sturen om goederen af te leveren. Luid bellend en brutaal vloekend op een ieder die hun in de weg staat, banen de apen zich een weg door de smalle straten. In het voorbijgaan trekken ze meisjes aan de rokken en mikken ze hun spuug op de petten van wandelaars om vervolgens joelend door te rijden.

Pas als de lantaarnopsteker zijn ronde doet en de straatlampen heeft gedoofd, keert de rust op straat terug. Op een enkele jankende hond en een verdwaalde dronkaard na ligt iedereen op één oor in klamme bedsteden of, als men het kan betalen, in zo'n modern ledikant zoals ook de rijken hebben. De rijken! Die blijven ver van de bedompte straten van de gewone man. In hun rare Engelse pakken en opzichtige jurken van Franse makelij flaneren zij overdag langs die nieuwe grote winkels met hun glimmende, grote ruiten.

`Warenhuizen' noemen ze de verkoopmagazijnen en er wordt van alles verkocht: kleding, huishoudelijke artikelen, geurige kruiden uit de koloniën, nieuwigheden als `vermicelli' en fruit in blikjes. Maar ook puddingpoeder en poeder om de was mee te doen. De minderbedeelden komen er alleen voor de taferelen in de etalages. Menshoge poppen staan bewegingloos in een decor van bos of sneeuw, al naar gelang het seizoen. Vooral de kinderen zijn niet voor de spiegelende ruiten weg te slaan. Ze bonken op de ramen, schreeuwen en trekken gekke bekken, en zijn vol ongeloof dat de mensen achter het glas niet met hun ogen knipperen en blijkbaar nooit op de po moeten.

De kleine neringdoenders zijn minder blij met De Bijenkorf en Brenninkmeyer. De rijkere klanten blijven steeds vaker weg en wie overblijven zijn de vrouwen uit de armere buurten, die niet zozeer voor de handel komen, als wel voor een praatje onderling.

De kruidenier op de hoek is de enige plek waar de vrouwen onder het mom van `huishoudelijke taak' elkaar ontmoeten en roddels uitwisselen. Voor de waar hebben ze nauwelijks aandacht. Die halen ze immers veel voordeliger bij de maker zelf: zeep bij de zeepzieder, eieren en melk buiten de stad bij de boer en kaas bij de kaasmaker. Steeds vaker moeten de kleine ondernemers hun nering sluiten. Soms vinden ze een baan bij een van de warenhuizen, bij het kasregister of als weger. Anderen moeten terugvallen op de inkomsten van hun kinderen of kunnen net rondkomen van hun bijeengespaarde oudedagvoorziening.

De kleine winkelier is niet de enige die de komst van de grote winkelketens met lede ogen aanziet. De Kerk spreekt schande van `de verlokkingen van de commercie en het losbandig vertier'. `De duivel schuilt in al die rariteiten die vanuit het buitenland overwaaien naar ons land', bezweren dominees en pastoors vanaf hun kansel. De rijken tonen hun ledigheid door op zondagmiddag in apenpakken balletjes over een net te slaan. De armeren kunnen de verlokkingen van alcohol in het groeiend aantal cafés en bierhuizen niet weerstaan en de jaarlijkse kermis ten slotte brengt de jeugd louter tot losbandigheid.

Het is waar. Nooit worden zoveel huwelijken gesloten als negen maanden na het bezoek van de kermis aan de stad. Op de kermis wordt gegokt, gedanst en gevreeën, omdat iedereen beseft dat maar eens per jaar de zorgen van alledag ver weg zijn. Sommige fabrieken geven hun arbeiders vrijaf, omdat ze weten dat de roes de dag erna elk geconcentreerd handelen in de weg staat. Dienstmeisjes mogen van hun mevrouwen een uurtje eerder naar huis, zodat er tijd is om de feestjurk die sinds de vorige kermis een maatje te klein is geworden, te verstellen.

Maar als de kermis zijn stoomcarrousels, schiettenten en kramen vol zoetigheid heeft opgebroken, neemt het leven weer zijn aanvang. Meisjes vanaf veertien jaar hebben met een beetje geluk een goed `dienstje' weten te vinden in een van de herenhuizen verderop. Jongens van dezelfde leeftijd trekken nog voor de zon op is naar de fabriek om tien of twaalf uur later pas huiswaarts te keren. De huisvrouwen legen zoals elke dag de po's van het kroost in de ontlastington, maken de kookkachel aan en beginnen al vroeg met de bereiding van het avondmaal.

Pas als vader terug is van de boer, met eieren en misschien zelfs een varkenspoot, is er even rust. Na het eten zal hij zijn pijp stoppen en de andere mannen in de buurt in de portieken opzoeken. Misschien heeft iemand een dagblad. Misschien weet iemand meer over dat krankzinnige plan van een stel gestudeerde heren om onder de grond buizen te metselen, waardoor de menselijke ontlasting direct uit de huizen wordt afgevoerd. De uitvinders hadden het al getest in het garnizoen van Praag en het had er niet meer gestonken. Wie gelooft dat nou? Duurbetaalde fantasten zijn het!