Bidden voor oom Anton

Een eeuw geleden was onderwijs voor allen nog lang geen vanzelfsprekendheid. Over de lotgevallen van een fictief persoon in de werkelijkheid van het jaar 1900.

OP EEN KWADE DAG moest ik naar school. Het was midden in de oogsttijd, dus mijn vader en moeder waren daar niet erg blij mee. Maar een deftige juffrouw uit de grote stad die al een paar keer bij ons op de boerderij was geweest, zei dat als ik zelf ooit iets anders wilde gaan doen dan boer worden, ik moest leren lezen en schrijven. Mijn vader kan daar nog boos over worden.

Goedschiks, of kwaadschiks; ik moest toch naar school. Juist in dat jaar, 1900, voerde de regering namelijk de leerplichtwet in, omdat ze vond dat er te veel `pauperkinderen' als ik – wel 70.000 hoorde ik – thuisbleven. Abraham Kuyper was trouwens altijd tegen die wet geweest. Hij vond die getuigen van staatsbemoeienis, de weg naar de slavernij. Dat mocht de schoolverenigingen met de Bijbel die gereformeerde mensen als hij uit de grond stampten, niet overkomen.

Toch had Kuyper de leerplicht niet kunnen tegenhouden, al scheelde het niks. De wet werd in de Tweede Kamer met 50 stemmen voor en 49 tegen aangenomen. Dat kwam doordat een baron (Schimmelpenninck van de Oye), die erg tegen die wet was, van zijn paard was gevallen en niet naar Den Haag kon komen. Later maakten ze in ons dorp daar nog grapjes over. Ze zongen: ,,Baron Schimmelpenninck en zijn biek; Doen beiden aan politiek; De baron zei: `Tegen, zonder manco'; De schimmel zei: `We stemmen blanco.'; Zo werd Borgesius' Leerplichtwet. Door paardepolitiek gered.''

Van mijn lagere school herinner ik me niet zoveel. Ik weet nog wel iets van de mooie schilderplaten van de rede van Bantam aan de muur. De klassen waren meestal kleiner dan die van de katholieken.

Onze meester Stam haalde elke dag na het gebed en het zingen van een psalm een groot registerboek te voorschijn. Daarmee controleerde hij wie er in de klas ontbraken. Als goed christen had hij een list bedacht voor Sijgje Herlaar en Lijsje Simons, kinderen van heel gelovige ouders, die bleven weigeren naar school te gaan. Ledeboerianen heetten zulke mensen, geloof ik. Elke keer als de schoolopziener kwam controleren, gaf hij ze tijdelijk onderdak in het meestershuis.

Aap, noot, mies, leerde ik bij lezen, maar de plaatjes van Ot en Sien heb ik niet meegemaakt; mijn broertjes en zusjes die later naar school moesten, wel. Bij geschiedenis werd veel verteld over Transvaal. Op dat moment vochten daar namelijk de Boeren tegen de Britten. Oom Anton vocht mee aan de kant van Paul Kruger, Jan Smuts en de Nederduits-gereformeerden. Meester Stam heeft nog een keer voor mijn oom gebeden.

Wie van de lagere school afkwam, mocht weer gaan werken. Ik wilde dat eigenlijk niet, want ik kon best goed rekenen en lezen. Bovendien: als ik niet naar het gymnasium of ten minste de hbs was gegaan, had u als lezer van de Nieuwe Rotterdamsche Courant mijn verhaal niet uitgelezen. Dus ging ik naar de hbs in de grote stad, vijftien kilometer verderop, oftewel bijna een uur fietsen.

`Het gymnasium was er voor de geleerde stand', hoorde ik wel eens zeggen, `en de hbs voor de nijvere middenstand.' Nou, dat mocht dan zo zijn, maar dat betekent niet dat er geen knappe koppen bij onze schoolsoort rondliepen. Hendrik Lorentz bijvoorbeeld, die in 1902 de Nobelprijs voor de natuurkunde won, had op een hbs in Arnhem lesgegeven.

Hij vertelde eens over zijn praktijklessen natuurkunde: ,,Ik moest met een windmeter die aan een lange, omhooggehouden lat was gebonden, met grooter of kleinere snelheid in een concertzaal ronddraven, en vervolgens, zo goed en zoo kwaad als mijn toenmalige wiskunde het toeliet, het verband tusschen de aanwijzigingen van het instrument en de snelheid waarmee ik gelopen had, in een formule uitdrukken.''

We kregen heel serieus les in wiskunde, plant- en dierkunde, natuur- en scheikunde, geschiedenis, aardrijkskunde, staatshuishoudkunde, boekhouden, Nederlands, Frans, Hoogduits, Engels, schoonschrijven, handtekenen, godsdienstles en gymnastiek. 's Ochtends duurden onze lesuren zestig minuten, 's middags vijftig minuten.

Bij lang niet alle vakken zaten evenveel leerlingen in de klas. Immers, sommigen waren gezakt voor het toelatingsexamen dat je voor bepaalde vakken moest doen. Bij Frans bijvoorbeeld moest je eerst laten zien dat je regelmatige en onregelmatige werkwoorden kon vervoegen, dat je een stukje Nederlands in het Frans kon vertalen en moest je ook een Frans dictee doen. Jaren later hoorde ik van een van mijn kleindochters dat haar les Frans nou juist bedoeld was om dat allemaal te leren!

De geschiedenislessen werden drukker bezocht dan de Franse. Logisch, want die waren veel minder moeilijk. Meneer Smeenk kon mooi verhalen vertellen, bijvoorbeeld over Van Speyk die in 1831 in Antwerpen zijn kanonneerboot in de lucht had laten vliegen, met zichzelf en zijn bemanning erbij, om te voorkomen dat de vijand het schip zou veroveren. Met instemming las meneer Smeenk uit het geschiedenisboek voor hoe Van Speyk ,,een voorbeeld van heldenmoed en vaderlandsliefde voor de Nederlandse jeugd is''. Heel veel jaren later, in 1981, kreeg ik een geschiedenisboekje van mijn kleindochter onder ogen. Daarin beweerde ene Van der Lei: ,,Van Speyk was een gevaarlijke gek, die de zinloze dood van 31 mensen op zijn geweten heeft.''

Aan het eind van mijn hbs besloot ik iets geks te gaan doen; ik wilde theologie gaan studeren. Dat kwam zo: ik was verliefd geworden op de dochter van een van die strenge Ledeboerianen – nee, niet Sijgje, en wilde met mijn studieplannen indruk op haar maken. Bovendien had ik me allang afgevraagd hoe het nou kon dat Zuid-Afrikaanse Boeren in naam van God de Engelsen de kop afhakten. Ook was mij inmiddels duidelijk geworden dat mijn oudste broer de boerderij zou erven.

Mijn plan was niet zomaar uitgevoerd. Ik moest als hbs'er eerst aanvullende staatsexamens Latijn en Grieks doen, wat me anderhalf jaar extra kostte. En waar haalde ik het geld vandaan? Met mijn vader sprak ik af dat hij me wat zou toestoppen als ik zou bijspringen op de boerderij; dat kon ik mooi in de tijd doen die rijkeluiskinderen verdeden bij de studentencorpora. Als boerenzoon kwam ik daar toch nooit in. Verder had onze kerk een studiefonds waaruit ik iets kon krijgen.

Aan de Vrije Universiteit van Abraham Kuyper studeren was uitgesloten; dan zou ik er bij mijn gehoopte schoonouders, die Kuyper veel te werelds vonden, niet inkomen. Leiden leek wel wat. Ik kon daar inwonen bij een verre oom, en ik had ooit gehoord dat er ene professor Cornelis Tiele lesgaf die vragen over God en de Bijbel stelde die anderen niet durfden te stellen; `stoutigheden' noemden zijn tegenstanders dat, maar ik vond dat juist wel spannend.

Het was een beetje armoe troef aan de universiteiten. Er moest nogal eens in gehuurde zalen worden lesgegeven. Die armoe had te maken met groeipijn. De wet op het Hoger Onderwijs uit 1876 had de faculteiten veel meer vrijheid gegeven. Die konden specialismen ontwikkelen dat het een lieve lust was. Er kwamen veel meer leeropdrachten en dus ook professoren die allemaal hun eigen ruimte en spullen moesten hebben. Daar was natuurlijk lang niet altijd geld voor. Het schijnt dat in 1880 Den Haag al twee keer zoveel uitgaf aan de universiteiten als in 1875. Dat viel allemaal niet bij te benen.

Mijn studie werd een teleurstelling. Mijn professoren gingen allemaal erg hun eigen gang, stemden weinig met elkaar af, waardoor hun studenten vaak dubbel werk moesten doen.

Bovendien werd professor Tiele een halve atheïst die dacht dat je het bestaan van God wetenschappelijk moest bewijzen. Theologie bleek de snelste weg naar het ongeloof te zijn. Ik haakte af. Was maar bij ons gebleven, heeft mijn vader later nog wel eens tegen me gezegd.