1942 Dagblad vol leugens

Een groot aantal journalisten deed onder de Duitse bezetting hetzelfde werk als voorheen: sport, financiën, rechtbank, lokaal en regionaal nieuws en al die `andere apolitieke rubrieken die weinig of niets van doen hadden met propaganda, nieuwe orde en nationaal socialisme', zo schrijft René Vos in het standaardwerk `Niet voor publicatie', over de legale Nederlandse pers tijdens de bezetting. De meeste journalisten bleven dan ook gewoon zitten. Van de ongeveer 1.000 beroepsjournalisten die Nederland rond 1940 telde, namen er volgens de berekeningen van Vos ongeveer 50 à 75 ontslag `wegens gewetensbezwaren'. Een zelfde aantal moest vertrekken omdat ze joods waren of joods bloed hadden.

Het leven op de redactie moet zelfs `dragelijk' zijn geweest. Dat een SS-redacteur jubelende stukjes op de voorpagina schrijft over `onzen Felix Steiner', de o zo dappere divisiegeneraal van de SS-divisie Wiking, werd waarschijnlijk betreurd, maar de andere redacteuren hoeven zich zo'n stukje niet persoonlijk aan te trekken. In het Journalistenbesluit dat de bezetter op 2 mei 1941 afkondigde, zijn redacteuren slechts verantwoordelijk voor hun eigen bijdragen aan de krant. Volgens Vos maakte juist deze bepaling het voor veel journalisten gemakkelijk te blijven: ieder zijn werk. En ook de Nederlandse overheidsorganisaties gaven de raad om door te gaan, in het belang van rust en orde èn een goede nieuwsvoorziening. Er waren weinig voorbeeldfiguren die vertrokken.

In het commentaar `Een krant', op pagina 2 van het Handelsblad van 30 december 1942, citeert de anonieme schrijver een oud-ARP-gemeenteraadslid die als ambtenaar van de burgerlijke stand het volgende zou hebben gezegd tegen jonge bruidsparen: ,,Niet de tegenwoordige krant, want die bevat voor 75% leugens en het andere gedeelte wordt benut om te vermelden wat men op de distributiebonnen kan krijgen.'' De moderne lezer van de oorlogskranten lijkt dit een acceptabele typering van de legale pers te zijn, maar de commentaarschrijver in 1942 ziet er een mogelijkheid in de positie van zijn krant te verdedigen: ,,In een tijd, waarin vele waarden uit het verleden haar grondslag schijnen te verliezen, spreekt het wel vanzelf, dat ook de organen, welke tot taak hebben het volk voor te lichten, aan groote wijzigingen onderhevig zijn. Zulks geldt des te meer, wanneer geheel andere begrippen omtrent volksvoorlichting hun intrede doen.'' Niet langer hoeven dagbladen `groepsbelangen' te dienen. De schrijver kent daarbij het wantrouwen van zijn lezers: ,,Norm voor alle voorlichting moet zijn de vraag of het belang van de volksgemeenschap er mede wordt gediend, zoo nodig zelfs zonder dat een grooter of kleiner deel van die volksgemeenschap het bewustzijn heeft dat de belangen van het geheel door die voorlichting wordt gediend. (...) Niet wat `men' graag hoort of leest moet richtlijn zijn voor den zijn verantwoordelijkheid beseffenden voorlichter maar wat ons volk van noode heeft, waarbij rekening dient te worden gehouden met den oorlog, dien Europa thans nog met de belagers van zijn leven en cultuur heeft uit te strijden en te winnen.'' De lezer weet waar hij aan toe is.

In het begin van de oorlog daalt de oplage van veel legale kranten. Het Handelsblad zakt van circa 47.000 in 1940 naar 27.000 in 1943, de NRC van 36.000 naar 33.500. Maar na 1943, als ook uit de gecontroleerde pers duidelijk wordt dat Duitsland de oorlog gaat verliezen, stijgen de oplagen weer. De NRC haalt 41.000 in begin 1944 en het Handelsblad zit dan op 46.000. De goede lezer kan veel uit de berichten opmaken. In het Handelsblad van 30 december 1943 meldt bijvoorbeeld ook de Duitse minister van Propaganda, dr. Goebbels, dat het voor Duitsland een jaar der beproeving is geweest. ,,Het is den Engelschen en Amerikanen door hun geslepen en verwaande blufpropaganda gelukt om bij een zeker deel der wereld den indruk te wekken, dat hun overwinning een uitgemaakte zaak is.'' Goebels heeft de vijand door: ,,Onze ooren zijn doof voor zijn leugenachtige phrases.'' Maar op dezelfde voorpagina wordt onder het kopje `Duitsche aanval bij Kirowograd maakt vorderingen' wel degelijk in een enkele zinnetje gemeld: ,,de stad Korosten werd na harde strijd opgegeven''. In 1942 is het nog niet zover, al is wel duidelijk dat aan het oostfront de Sovjettroepen het initiatief hebben genomen.

De voorpagina van 30 december 1942 biedt de vaderlandsgezinde lezer nog weinig hoop. In de commentaarkolom rechts wordt bijvoorbeeld het Duitse denken over de `kleine staten' uiteengezet, op grond van een artikel in de nazi-krant Völkische Beobachter. Voor `het schijnparlementarisme der kleine staten' zal in het Nieuwe Europa geen plaats meer zijn. Duidelijke ordening is nodig en dat kan slechts onder leiding van een grote mogendheid. ,,Men zal moeten moeten afzien van egocentrische eischen, ter wille van het geheel'.

Vol staat de krant met beperkende maatregelen die de bezetter afkondigt. Op de voorpagina staan al nieuwe regels voor de radiovergunningen en de registratie van auto's en olievoorraden. Binnenin valt verder te lezen dat ook filmen niet langer vrij is: ,,Het departement van Volksvoorlichting en Kunsten vestigt de aandacht op het besluit van den secretaris-generaal van genoemd departement betreffende het vervaardigen van films.''

Opmerkelijk is dat in het Beursoverzicht New York (Chrysler stijgt van 69,75 naar 69,875) èn Bank van Engeland vermeld staan.