The Economist

De vooruitgang die we de laatste 250 jaar vanzelfsprekend zijn gaan vinden zal historisch waarschijnlijk een eenmalig incident blijken te zijn geweest. De meest voor de hand liggende verklaring voor die groeischeut is de industrialisering sinds 1750 op basis van technologie. Maar het is bepaald niet vanzelfsprekend dat die ontwikkeling zichzelf in stand kan houden, getuige het voorbeeld van de Chinese economische ontwikkeling na 1400, meent The Economist in een speciale Millennium-editie.

Aan het begin van de vijftiende eeuw stonden de Chinezen wetenschappelijk en technologisch aan de top. De techniek van ijzergieten was in China al vijftienhonderd jaar eerder bekend dan in Europa. Duizend jaar nadat de Chinezen het papier uitvonden, raakt het procédé ook bekend is Europa. Voeg daarbij nog de vroegtijdige uitvinding van een halster dat niet verstikt, van explosieven, van klokken en van vele andere items en het wordt duidelijk dat de Chinese economie in 1400 op het punt stond zich te industrialiseren.

Maar nadien vertraagde de ontwikkeling zo snel dat de Chinezen in 1600 technologisch al achter liepen bij de Europeanen. De Chinezen kenden wel het principe van atmosferische druk, maar ontwikkelden niet de stoommachine. Ze bedachten het spinnewiel tegelijk met de Europeanen, maar kwamen niet op het idee er een spinmachine van te maken. Kortom, wetenschappelijke en technologische ontwikkeling kan zo maar ophouden.

Dat gebeurde ook in de Islamitische cultuur na 1200. Over de oorzaken ervan blijft de discussie gaande, maar men is het er wel over eens dat het verschil tussen stagnatie en progressie wordt bepaald door de aanwezigheid van waarden als veranderingsgezindheid, een hang naar bezit die niet ontaardt in hebzucht, en het vertrouwen dat specialisatie voordeliger kan zijn dan volledige autonomie. Andere belangrijke voorwaarden voor progressie zijn de scheiding tussen economie en politiek, en de ontwikkeling van economische wetten en instellingen.

www.economist.com