TARIEFGROEPEN

De basisaftrek (loon of inkomen waarover geen belasting is verschuldigd) wordt voor 2000 verhoogd naar 8.523 gulden (1999: 8.380 gulden). Daarnaast geldt een zogenoemde bovenbasisaftrek. Deze bedraagt in 2000 427 gulden.

Hieronder een overzicht van de tariefgroepen en de bijbehorende belastingvrije bedragen.

Tariefgroep 0

Het belastingvrije bedrag is nihil.

In deze groep valt men:

1) als men twee of meer dienstbetrekkingen/uitkeringen heeft en bij de andere dienstbetrekking/uitkering al in een tariefgroep wordt ingedeeld die recht geeft op een belastingvrij bedrag.

2) als men de loonbelastingverklaring bij de inhoudingsplichtige voor de loonbelasting niet invult.

Tariefgroep 1

Het belastingvrije bedrag is komend jaar 427 gulden (1999: 419 gulden).

In deze groep valt men als men als gehuwde/ongehuwde het belastingvrije bedrag overdraagt aan de echtgenoot/huisgenoot (omdat men geen inkomen heeft of een inkomen lager dan 8.523 gulden).

Tariefgroep 2

Het belastingvrije bedrag is 8.950 gulden (1999: 8.380 gulden), vermeerderd met de bovenbasisaftrek van 427 gulden. Het totale bedrag komt daarmee op 9.377 gulden.

In deze groep valt men als men niet wordt ingedeeld in één van de andere tariefgroepen, bijvoorbeeld:

1) als men tweeverdiener is en de echtgenoten/huisgenoten verdienen beiden meer dan 8.950 gulden, of

2) als men als alleenstaande ouder niet in aanmerking komt voor indeling in tariefgroep 4 of 5.

Tariefgroep 3

Het belastingvrije bedrag wordt 17.473 gulden (1999: 17.179 gulden).

In deze groep wordt men ingedeeld:

1) als men gehuwd is en de echtgenoot/echtgenote geen inkomen heeft of een inkomen heeft van minder dan 8.950 gulden (1999: 8.380 gulden). Zijn/haar belastingvrije bedrag kan worden overgedragen: 8.950 + 8.950 + 427 = 18.127 gulden (1999: 17.179 gulden).

2) als men ongehuwd is kan een dergeljke overdracht ook plaatshebben, maar dan moet men naast het feit dat de huisgenoot/huisgenote geen inkomen heeft of een inkomen van minder dan 8.950 gulden (1999: 8.380 gulden) nog aan een aantal nadere voorwaarden voldoen. Voor ongehuwden is indeling in deze tariefgroep alleen mogelijk via een beschikking van de inspecteur. Daartoe moet een gezamenlijk verzoek worden gedaan.

Tariefgroep 4

Het belastingvrije bedrag is 15.768 gulden (1999: 15.503 gulden).

Men wordt ingedeeld in deze tariefgroep als men alleenstaande ouder is bij wie de kinderen, die bij aanvang van het kalenderjaar jonger zijn dan 27 jaar, inwonen en men een of meer van de kinderen `in belangrijke mate' onderhoudt. Dit laatste is het geval indien voor een kind recht bestaat op kinderbijslag, of indien de op hem/haar drukkende kosten van levensonderhoud van een kind ten minste 56 gulden per week bedragen. Voldoet men aan deze voorwaarden, dan krijgt men een extra belastingvrij bedrag van 6.818 gulden (1999: 6.704 gulden) op het gebruikelijke bedrag van 8.950 gulden (1999: 8.380 gulden). Inclusief de bovenbasisaftrek van 427 gulden komt het belastingvrije bedrag voor deze groep daarmee op 15.768 gulden (1999: 15.503 gulden).

Tariefgroep 5

Het belastingvrije bedrag is 15.768 gulden (1999: 15.503 gulden) plus 12 procent van het arbeidsinkomen met een maximum van 6.818 gulden (1997: 6.704 gulden). Daarmee komt de belastingvrije som op maximaal 22.586 gulden (1999: 22.207 gulden).

Als men als alleenstaande ouder naast hetgeen er voor tariefgroep 4 geldt ook nog werkzaamheden buiten het huishouden verricht en het jongste kind dat inwoont bij aanvang van het kalenderjaar jonger is dan 12 jaar, dan heeft men recht op een extra belastingvrij bedrag bovenop het belastingvrije bedrag van tariefgroep 4. Dat extra belastingvrije bedrag is 12 procent van het met die werkzaamheden verdiende inkomen. Hiervoor geldt een maximum van 6.818 gulden (1999: 6.704 gulden). Wie 65 jaar of ouder is heeft recht op een ouderenaftrek van 520 gulden (1999: 511 gulden). Als men in het kalenderjaar een inkomen heeft dat minder bedraagt dan 57.944 gulden (1999: 56.974 gulden), dan wordt de ouderenaftrek verhoogd tot 2.569 gulden (1999: 2.152 gulden). Wie recht heeft op de ouderenaftrek en een AOW-uitkering voor alleenstaanden of alleenstaande ouders krijgt komt in aanmerking voor de aanvullende ouderenaftrek van 520 gulden (1999: 511 gulden). Als men in het kalenderjaar een inkomen heeft dat minder bedraagt dan 57.944 gulden (1999: 56.974 gulden), dan wordt de aanvullende ouderenaftrek verhoogd tot 3.109 gulden. (1999: 3.057 gulden).

De aanslaggrens voor de inkomenstenbelasting ligt in 1999 op 425 gulden (1999: 419 gulden). Het criterium is dat het verschil tussen verschuldigde inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en voorheffingen (dividendbelasting en loonbelasting) meer bedraagt dan 425 gulden.