Oud koffiedik

In 1967 verscheen in de Verenigde Staten een boek van meer dan 500 pagina's, The Year 2000, A Framework for Speculation on the Next Thirty-Three Years, geschreven en berekend door Herman Kahn en Anthony J.Wiener, met een inleiding van Daniel Bell. De Nederlandse vertaling (Kluwer, Deventer 1968) werd me een paar maanden geleden cadeau gedaan door een lezeres die haar bibliotheek opruimde. Te lezen over wat er tussen vandaag en morgen of over honderd jaar misschien gaat of zeker zal gebeuren, is altijd meeslepend, of het bedacht is door een medium met een kristallen bol, dan wel het resultaat van de berekeningen der wetenschappelijk gespecialiseerde futurologen van het Hudson Institute. Het kijken in de toekomst houdt, hoe dan ook, iets van een sprookje waarin voor ons zelf misschien nog een rol is weggelegd – of tot onze opluchting juist niet.

Het lezen van oude, goed beredeneerde voorspellingen is op een andere manier fascinerend. Al hebben de profeten maar voor een tiende gelijk gekregen, dan dwingt dat al bewondering af. Blijken ze zich te hebben vergist, dan is nog lang niet alles verloren. Iedere rationele voorspelling is per slot van rekening een gecorrigeerde projectie van een heden. Onze verbeeldingskracht is niet toereikend om ons het nie Dagewesene te kunnen voorstellen. Zulke voorspellingen kunnen dus veel leren over de tijd waarin ze werden gedaan. En wie dat niet interesseert blijft in ieder geval het leedvermaak over de mislukte Mephisto.

Het boek van Kahn en Wiener is geen eenvoudige beschrijving van wat ze door hun verrekijker in de tijd hebben gezien. Het bevat een groot aantal voorstellen, vervat in scenario's, een scala van beredeneerde mogelijkheden. Zo wordt binnen de optie van een `wanordelijke wereld' rekening gehouden met twee ontwikkelingen van het communisme. Het zal zich kunnen uithollen, of er zal een nieuwe versie ontstaan: een dynamisch communisme . Dit vooronderstelt dan `een romantisch réveil onder de jongere elementen in de Russische communistische partij die met vaste hand een sterke Sovjet-maatschappij besturen volgens een revolutionaire en gedurfde politiek.' Verderop in de voorstelling van de `wanordelijke wereld' treffen we de beredeneerde kans op ineenstorting van de NAVO. De oorzaak daarvan is het conflict tussen Amerika en Frankrijk over de toekomst van het bondgenootschap. Er ontstaat een Amerikaans-Russisch-Duitse toenadering, terwijl de Fransen `een mogelijkheid zien om de leiding in Europa over te nemen' waarbij de Oost-Europese landen zich achter Parijs scharen.

Een charme, als we het zo kunnen noemen, van dit boek is de toon van vanzelfsprekendheid, zelfs onverbiddelijkheid waarvan de schrijvers zich blijven bedienen terwijl ze de grootste denkbare catastrofes beschrijven. `Andere nachtmerries van de 21ste eeuw' is de titel van hoofdstuk acht. Daarin wordt beschreven wat er kan gebeuren in `werelden afhankelijk van het zakenleven'. De eerste premisse is dat er een `vrij grote depressie' ontstaat die gevolgd wordt door protectionisme van de Verenigde Staten en de Europese Gemeenschappelijke Markt die geen nieuwe leden toelaat. Het steeds zwaarder bewapende China `heeft zijn arbeidsprobleem opgelost door een garnizoensstaat te worden. (-) In de ontwikkelingslanden wordt de economie verwoest'. Daar breken revoluties uit naar het model van de Russische of de Chinese. In grote trekken betekent het falen van het `zakenleven' een reveil van het links radicalisme.

Kahn en Wiener hebben met hun verscheidenheid van berekende modellen de rest van de eeuw een ruime keuze gelaten. Hun boek nu, op de valreep, lezend, zien we hoe zwaar de oorlog in Vietnam op Amerika drukte. Ze sluiten niet uit dat het conflict tot een kernoorlog zal leiden. Aan het voortbestaan van de Sovjet-Unie wordt geen ogenblik getwijfeld. Wel houden ze op veel plaatsen rekening met een `uitholling', een `verzwakking' een `wegkwijnen' van de NAVO. Dat de Verenigde Staten aan het einde van de eeuw als enige supermacht zullen zijn overgebleven, is een optie die niet aan de orde komt. Wel wordt geopperd dat de Amerikanen zichzelf in onderlinge strijd op godsdienstige grondslag en in rassenconflicten zullen verzwakken. Wat dit wantrouwen in de continuïteit van de Amerikaanse macht aangaat, zijn ze trouwens niet de enigen. Nog in 1987 zag Paul Kennedy in zijn The Rise and Fall of the Great Powers de Verenigde Staten langzaam maar zeker het veld ruimen. In de kracht van de politieke elite hadden de denkers van toen in ieder geval geen rotsvast vertrouwen.

Heel anders is het in 1967 gesteld met hun kijk op de technische vooruitgang. Tabel 18 is een lijst van `honderd technische vernieuwingen die zeer waarschijnlijk in de laatste 33 jaar van de 20ste eeuw gerealiseerd zullen worden.' Graag zou ik die in zijn geheel afdrukken. De schrijvers voorzien `particuliere oproepsystemen, misschien zelfs zaktelefoons, en andere privé-elektronische uitrustingen voor communicatie', transplantatie op grote schaal van menselijke organen, genetische beheersing van gegeven individuele constitutie, wijd verbreid gebruik van kernenergie, uitstellen van de ouderdom, ruimteverdedigingssystemen, menselijke `winterslaap' voor maanden tot jaren, uitgebreide esthetische chirurgie, doeltreffender anti-oproertechnieken (en wellicht ook oproertechnieken) en fysiek niet-schadelijke methoden om zich te buiten te gaan.

Tegenover hun achterdocht jegens de politiek staat een diep vertrouwen in de techniek. Dat is de verborgen visie in dit boek, een voorspelling waarvan de auteurs zich misschien niet eens bewust zijn geweest. Juist daarmee krijgen ze gelijk, zoals wij 33 jaar later weten.