LOON- EN INKOMSTENBELASTINGEN

Toelichting: De indeling van de schijven voor de loon- en inkomstenbelasting wordt in 2000 gecorrigeerd voor de geldontwaarding met 1,7 procent.

Om eenvoudiger lastenverlichting te kunnen doorvoeren voor de lagere inkomensgroepen heeft de regering besloten om de eerste inkomensschijf in tweeën te knippen. Over de eerste en tweede inkomensschijf worden belasting en premies volksverzekeringen (AOW, Anw en AWBZ) gecombineerd geheven. Het tarief in de eerste schijf is voor 2000 vastgesteld op 33,90 procent en bestaat uit 4,5 procentpunt belasting en 29,40 procentpunt premies. Het tarief in de tweede schijf wordt 37,95 procent en bestaat uit 8,55 procentpunt belasting en 29,40 procentpunt premies.

Voor personen van 65 jaar en ouder geldt in de eerste schijf in plaats van 33,90 procent een lager tarief van 16 procent (1999: 17,85 procent), omdat zij voor de AOW niet meer premieplichtig zijn. Dit tarief bestaat uit 4,5 procentpunt belasting en 11,5 procentpunt premie AWBZ en Anw. In de tweede schijf betalen ze een tarief van 20,05 procent, bestaande uit 8,55 procentpunt belastingen en 11,50 procentpunt premies.

Voor de aanslaggrens voor de inkomstenbelasting geldt sinds 1997 een nieuw criterium. Indien het verschil tussen verschuldigde inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en voorheffingen (dividendbelasting en loonbelasting) meer bedraagt dan 427 gulden (1999: 420 gulden), volgt een aanslag.

De grens voor teruggaaf op verzoek van te veel ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen is vastgesteld op 26 gulden (1999: 26 gulden).

De vaste aftrek voor beroeps-/verwervingskosten bedraagt 12 procent (1999: 12 procent) van het inkomen uit tegenwoordige arbeid. Dit zogenoemde arbeidskostenforfait kent in 2000 een minimumbedrag van 263 gulden (1999: 258 gulden) en een maximumbedrag van 3.538 gulden (1999: 3.174 gulden). Het vaste aftrekbedrag voor niet-actieven wordt 1.073 gulden (1999: 1.055 gulden).

De nieuwe bedragen voor de aftrek van lijfrentepremies zijn: maximaal 6.179 gulden (1999: 6.075 gulden) per persoon. Voor gehuwden geldt 12.358 gulden (1999: 12.150 gulden).

Wie 65 jaar of ouder is komt in aanmerking voor de ouderenaftrek van 520 gulden (1999: 511 gulden). Heeft men in het kalenderjaar een inkomen genoten dat op jaarbasis minder bedraagt dan 57.944 gulden (1999: 56.974 gulden), dan wordt deze ouderenaftrek verhoogd tot 2.569 gulden (1999: 2.152 gulden). Wie recht heeft op de ouderenaftrek en een AOW-uitkering voor alleenstaanden of alleenstaande ouders geniet komt tevens in aanmerking voor de aanvullende ouderaftrek van 520 gulden (1999: 511 gulden). Als men een inkomen heeft genoten dat op jaarbasis minder bedraagt dan 57.944 gulden (1999: 56.974 gulden), dan wordt deze aanvullende ouderenaftrek verhoogd tot 3.109 gulden (1999: 3.057 gulden).