De science fiction van mijn jeugd

Ongekende ontwikkelingen in de techniek en even zo grote veranderingen op het maatschappelijke vlak zijn enkele in het oog springende verworvenheden van de bijna voorbije eeuw. Maar weten onze kinderen nog wel dat ze bevoorrecht zijn? A. van Dantzig beschouwt zijn eeuw.

Mijn eeuw is nog niet af, nog twintig jaar, dan kan ik van mijn eeuw spreken. En mijn eeuw, mijn persoonlijke eeuw, is maar heel klein van omvang. Misschien tien mensen, van de vijftien miljard, van wie ik veel gehouden heb, de paar huizen waar ik gewoond heb, de vreugde en de ellende zoals iedereen die kent – er is een boek over te schrijven, maar dat leidt tot vijftien miljard boeken. Het is dus niet mijn eeuw, maar onze eeuw waar ik het over ga hebben, de eeuw waarin wij leven, en binnenkort geleefd zullen hebben - althans de meesten van ons, want ik schrijf dit op 18 december, en je weet maar nooit.

Impliciet in de vraag of ik wat over onze eeuw wil zeggen is natuurlijk: Wat vind je nou bijzonder aan onze eeuw? Mijn antwoord: Het bijzonderste is dat er te veel bijzondere dingen zijn om op te noemen. Voor de hand ligt de Techniek, met daarachter de wetenschap. We hebben de afstand vernietigd, niets en niemand is nog ver weg, we kunnen er vrijwel op rekenen dat we onze kinderen zien opgroeien en onze kleinkinderen meemaken, we zijn als vogels in de lucht en als vissen in het water, de virussen voeren een achterhoedegevecht, en de armste burger van de verzorgingsstaat kent meer luxe dan Lodewijk de Veertiende ooit bezat. Kort geleden las ik dit alles treffend samen gevat in de uitspraak: ,,Het is nog maar kort geleden dat het uitvinden werd uitgevonden.''

En inderdaad, als je ziet wat er in onze eeuw is bijgekomen is het buitengewoon jammer dat we te vroeg geboren zijn om te kunnen profiteren van wat binnenkort zal gebeuren, het verlengen van de levensduur van eiwitten, waardoor we duizend jaar zullen kunnen worden of misschien onsterfelijk door het laden van onze kloon met de backup van onze hersenen. Kan nooit? Wonderen wennen snel – jammer genoeg trouwens. Ooit kon het nooit dat je de deur niet uit zou hoeven om een voetbalwedstrijd te zien, of dat een vrouw zelf bepaalde hoeveel kinderen ze wilde krijgen zonder moeizaam gepruts. Maar zover is het niet, en ik zal mijn nieuwsgierigheid naar hoe het verder gaat dus onbevredigd zien blijven wat ik trouwens een van de naarste dingen vind van doodgaan.

Is dat alles nu een vooruitgang? De vraag impliceert dat de technische vooruitgang niet bedoeld wordt, want die staat als een paal boven water. Met vooruitgang wordt in zo'n vraag bedoeld vooruitgang in geluk, of minstens welbevinden. Mijn antwoord is onomstotelijk ja, met het voorbehoud dat de oorlogen van deze eeuw buiten beschouwing worden gelaten. Tel je die mee, dan zijn die evenzeer in verschrikking toegenomen als het dagelijks leven in veiligheid en mogelijkheden. De grote opdracht van de volgende eeuw lijkt me dan ook om van die twee alleen de vrede over te houden.

Ik vind dus dat we vooruit zijn gegaan in welzijn. De techniek met al zijn zegeningen, de gevolgen dus van de uitvinding van het uitvinden, is maar een van de bijzondere dingen van onze eeuw. In onze contreien is een tweede de verandering van het politieke bestel. Dat is altijd en overal in handen geweest van de heersende klasse. Het is jammer dat Marx zo in discrediet is gebracht door zijn volgelingen, want zijn centrale stelling, dat de moraal de uitdrukking is van de belangen van de heersende klasse lijkt mij onomstootbaar juist. Als het anders was zou de heersende klasse niet heersen. Nu is er in onze eeuw, voor het eerst in de geschiedenis, in de politiek geen heersende klasse meer, iedere burger, zelfs iedere vrouw, heeft stemrecht gekregen, sinds een paar tientallen jaren, na duizenden jaren onmondigheid van de overgrote meerderheid. De gevolgen zijn langzaam duidelijk aan het worden: politieke gelijkheid wordt gevolgd door maatschappelijke gelijkheid, de verzorgingsstaat heeft honger en echte armoede uitgebannen, randgroepen van onderdrukten en uitgestotenen eisen hun plaats, levensbeschouwingen worden gelijkgeschakeld, godsdienst met zijn vaak dwingende morele inperking wordt een van de vele daarvan. De jaren zestig zijn een echte revolutie geweest.

Het lijkt nu allemaal vanzelfsprekend voor wie de tijd daarvóór niet heeft meegemaakt, maar in ruil voor die recente vanzelfsprekendheid zijn eeuwenlange vanzelfsprekendheden ingeleverd: de achtergestelde positie van vrouwen, arbeiders, homo's en lesbo's (die niet eens bestonden), de marginalisering van seksualiteit, het gebrek aan bescherming van kinderen, van armen, de vooruitgang, of, zo u wilt, de verandering in de ordening van de samenleving is zeker zo diepgaand als de verandering in de technologie en zijn consequenties. En terwijl de toekomst natuurlijk volkomen onvoorspelbaar blijft, is het toch op zijn minst waarschijnlijk dat als we ons in de volgende eeuw niet tot een doodgelopen tak van de evolutie maken door ons eigenhandig uit te roeien, de democratie de meest efficiënte, en daarom alom geaccepteerde manier van besturen zal zijn voor een verstandige mondiaal kapitalistische samenleving.

Dan zal het ideaal van mijn sociaal-democratische ouders, een menswaardige samenleving voor iedereen, in vervulling zijn gegaan, zij het zonder de economische gelijkheid, en vooral ook zonder de bevlogenheid waarvan zij meenden dat het niet zonder kon. En zij zouden het, net als ik, jammer vinden dat veel mensen zich niet bewust zijn van de zegeningen van deze verandering, omdat ze niet weten hoe het toeging voordat deze revolutie hen had bevrijd van wat best een vorm van slavernij genoemd mag worden.

In mijn jeugd werd ik nog meegenomen naar betogingen voor de achturendag, dat was dus voor 48 uur per week, wat een wereldvreemd ideaal leek, om van uitkering bij ziekte maar niet te spreken. De bodem in het bestaan – wie had het in de vorige eeuw durven denken dat dat in deze eeuw werkelijkheid zou worden. Daarom vind ik het zo jammer dat kinderen wel worden opgevoed om God, of de Leider, te danken dat zij katholiek, of communist, of nationaal-socialist mochten zijn, maar dat je daar in een democratie niet om hoeft te komen. De meeste kinderen leren alleen maar dat `Den Haag' een bende babbelende zakkenvullers is. Dat is overigens niets bijzonders, wij zijn niet iedere dag dankbaar dat treinen rijden, dat is gewoon, we kankeren alleen als ze te laat zijn. Nu is dat met treinen niet erg, maar voor de democratie is het gevaarlijk. De mens is een hiërarchisch dier, en zal maar al te gemakkelijk weer achter een leider aanlopen als het straks slecht gaat. Daar zouden we ons tegen moeten wapenen door onze kinderen ervan op de hoogte te brengen hoe bevoorrecht ze zijn. Dat doen de vijanden van de democratie ook.

Het derde wonder van onze eeuw is het zichtbaar worden van ons innerlijk leven. Ik besef dat dat een veel te boude uitspraak is, die ik alleen maar kan doen door professionele deformatie, want privacy, de afscherming van de privé-sfeer van de publieke sfeer staat hoog in het vaandel, zo hoog dat dat de belangrijkste reden is dat we niet kunnen voorkomen dat in Nederland jaarlijks tachtig kinderen door hun ouders worden doodgeslagen, en tachtigduizend mishandeld. Maar dat weten we nu tenminste, zoals we weten hoe veel vrouwen leden onder de vanzelfsprekendheid van hun onderschikking. En we weten ook dat honderdduizenden zich melden voor hulp voor psychisch lijden waar vroeger niemand ooit van gehoord had.

Gewone mensen zoals u en ik, waar niemand iets aan merkt, zijn vaak doodongelukkig, en hebben dan meestal als kind vreselijke dingen meegemaakt bij vaak goedwillende ouders aan wie ooit het zelfde overkwam. Ik bedoel hier niet een misstand aan te geven, ik bedoel te zeggen hoe bijzonder het is dat in onze eeuw dit gebied van de werkelijkheid ontdekt is, zoals ooit Amerika. Wat we met die ontdekking gaan doen is vers twee, maar ik voel me een ontdekkingsreiziger in een nieuw continent, gewoon door mijn vak uit te oefenen. Of er wat aan gedaan zal worden is zeer de vraag, er moge in de politiek geen heersende klasse meer zijn, maar we worden wel beheerst door de Economie. En die moet concurreren op de vrije markt, alles moet zo goedkoop mogelijk, dus beknibbelen op de zorg, en dan begin je niet aan iets nieuws. Voor rijke mensen is dat niet erg, die kunnen het wel betalen, maar minder goed bedeelden zullen het van de solidariteit, van de gelijkheid moeten hebben. En ook die strijd is een van de bijzondere dingen van deze eeuw. In de vorige eeuw werd hij gevoerd door randgroepen, nu staat hij in het hart van onze wereld. De strijd voor de idealen van gelijkheid en broederschap wordt uitgevochten in de strijd om een half procent meer voor de begroting van VWS. Maar vrijwel iedereen vindt een voetbalwedstrijd spannender.

Ik leef in de science fiction van mijn jeugd. Niet alleen in de technologische science fiction, maar ook in de politieke en morele. Wie had kunnen denken dat iedereen naar de universiteit kon, dat op de televisie, de televisie!, over sex gepraat zou worden, dat er een bodem in het bestaan zou zijn gelegd, dat er Riaggs zouden zijn, en nodig zouden blijken, terwijl de kerken leeglopen en dat dat allemaal tot stand is gebracht door dezelfde mensen die tweemaal hebben geprobeerd elkaar op de meest gruwelijke manier af te slachten.

Maar met al deze veranderingen is ook een eeuwenoude wereld verdwenen. Voor mij hoort daar een beeld bij: ik woonde als kind aan de rand van Gouda, mijn slaapkamer keek uit over de weilanden, tot Oudewater aan toe. Rechts was de IJsseldijk, de dijk van de Hollandse IJssel, de Goejanverwelledijk. Donderdagmorgen vroeg reden daar de boerenkarren, de boer en de boerin op de bok, het paard voor, de kazen in de wagen, naar de kaasmarkt in Gouda. Ik zie ze nog, de silhouetten tegen de wolkenluchten. Eeuwen hebben ze zo gereden, en nu rijden ze alleen in mijn herinnering. Ik kan ze in de verte van de tijd nog zien, maar ze raken steeds verder weg, de boer en de boerin, met hun paard, hun wagen, hun kazen, onze eeuw, en mijn jeugd.

A. van Dantzig is psychiater.