BIJSTAND

Toelichting: De Algemene Bijstandswet kent sinds 1 januari 1996 drie landelijke normen voor mensen van 21 jaar en ouder. De wet maakt onderscheid tussen echtparen of ongehuwd samenwonenden, alleenstaande ouders en alleenstaanden. Voor elk van deze drie groepen geldt een apart normbedrag. Voor echtparen en samenwonenden is dat 100 procent van het nettominimumloon, voor alleenstaande ouders 70 procent en voor alleenstaanden 50 procent. Het uitgangspunt bij de norm voor alleenstaande ouders en alleenstaanden is dat de (woon)kosten met anderen kunnen worden gedeeld. Is dat niet of slechts gedeeltelijk het geval, dan kan de gemeente hen een toeslag geven van maximaal 20 procent van het nettominimumloon.

De hoogte van de uitkeringen wordt per 1 januari 2000 verhoogd. Dit is het gevolg van de aanpassing van het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen aan de ontwikkeling van de lonen. Als gevolg hiervan gaat bijvoorbeeld de netto-uitkering voor gehuwden en ongehuwd samenwonenden met 41,47 gulden omhoog.

Jongeren van 18 tot en met 20 jaar zullen nog slechts bij hoge uitzondering voor een bijstandsuitkering in aanmerking komen. Wie geen baan heeft en niet studeert moet via de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) aan de slag. Jongeren die daar niet in slagen houden recht op bijstand, maar slechts op het niveau van de kinderbijslag. De gemeente kan dat bedrag afhankelijk van de omstandigheden aanvullen.

Echtparen en alleenstaanden die jonger zijn dan 21 jaar met een of meer kinderen hebben recht op een hoger bedrag. In 2000 krijgen zulke jeugdige echtparen 1.794,09 gulden per maand plus 100,41 gulden vakantiegeld. Alleenstaanden ontvangen respetievelijk 1.121,47 gulden en 62,76 gulden.

Hebben twee mensen hun hoofdverblijf in dezelfde woning en voeren zij een gezamenlijke huishouding, dan worden zij als partners beschouwd en komen zij gezamenlijk in aanmerking voor de uitkering van 100 procent.

Op grond van de Bijstandswet hebben gemeenten veel vrijheid om te bepalen hoe zij mensen met een bijstandsuitkering stimuleren bij het zoeken naar werk.

Niet al het spaargeld behoeft te worden aangesproken voordat iemand voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt. Voor gezinnen geldt dat 20.000 gulden buiten beschouwing wordt gelaten, terwijl voor alleenstaanden een bedrag van 10.000 gulden geldt.

Voor mensen jonger dan 65 jaar die een bijstandsuitkering ontvangen en een eigen huis bewonen geldt een speciale regeling. Bij hen wordt van het vermogen in het huis nog eens 15.000 gulden buiten beschouwing gelaten en van het meerdere de helft. Maximaal wordt voor gezinnen 80.000 gulden buiten beschouwing gelaten en voor alleenstaanden 70.000 gulden.

Wie verplicht verzekerd is bij een ziekenfonds moet van zijn/haar uitkering de nominale premie voor de Ziekenfondswet (ZFW) betalen. Wie niet verplicht is verzekerd ontvangt bij de uitkering een vergoeding voor de betaling van een particuliere ziektekostenverzekering, die dezelfde risico's dekt als de verplichte ziekenfondsverzekering. De vergoeding wordt verminderd met het bedrag dat een verplicht verzekerde in dezelfde omstandigheden als nominale premie aan het ziekenfonds moet betalen.

Sinds 1 januari 1999 is de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) van kracht. Een uitkering volgens de WIK bedraagt voor alleenstaande kunstenaars 70 procent van de landelijke bijstandsnorm, inclusief de maximale toeslag voor een alleenstaande.

De IOAW/IOAZ-uitkeringen voor respectievelijk oudere langdurig werklozen en oudere arbeidsongeschikte ex-zelfstandigen zijn netto gelijk aan de bijstandsnormen. Eventuele inkomsten uit of in verband met arbeid van de werkloze of ex-zelfstandige en zijn of haar partner worden in mindering gebracht op de uitkering. In tegenstelling tot de bijstandswet wordt geen rekening gehouden met andere inkomsten en met vermogen.