Big Science

AAN HET EIND VAN deze eeuw zijn er meer wetenschappers in leven dan er ooit zijn overleden. De wetenschapsbeoefening is de laatste honderd jaar explosief gegroeid. De maatschappij plukt er de vruchten van, zoete en wrange. Mede dankzij inzichten uit de sociale wetenschappen en de humaniora bestaat binnen onze cultuur een sterke aandacht voor pluriformiteit en voor relativering van het eigen gelijk. Dankzij de natuurwetenschappen is het inzicht in het universum waarin de mens leeft sterk vergroot en zijn ook de levensomstandigheden in grote delen van de aarde sterk verbeterd. Aan de andere kant is het onmogelijk niet de nadelen te zien van vooral de technologisering en medicalisering, waardoor veel mensen zich in een afhankelijke positie voelen gedrongen en het gevoel verliezen hun leven in eigen hand te hebben. Daartegenover staat echter de stelling dat óók in vroeger, minder moderne tijden veel mensen van hun waardigheid werden beroofd, zij het niet door medische installaties maar door ongecontroleerde machthebbers.

Veel wetenschappelijke kennis vindt zijn oorsprong in de vorige, negentiende eeuw. Maar in de eeuw die nu ten einde loopt zijn de ontwikkelingen duizelingwekkender dan ooit geweest. Rond 1900 bestonden er geen plastics. De op steenkool, aardolie en aardgas gebaseerde koolstofchemie (of organische chemie) moest nog worden ontwikkeld. De biochemie, die levensprocessen bestudeert, bestond nog niet. De Nederlandse chemicus Van 't Hoff had net ontdekt dat er moleculen bestaan die elkaars spiegelbeeld zijn – een principe dat het afgelopen decennium via reclames voor yoghurts die linksdraaiend melkzuur bevatten tot het grote publiek is doorgedrongen.

NOG ALTIJD IS de nationale geschiedschrijving een belangrijke motivatie voor historici, maar het flagrante nationalisme dat in de vorige eeuw het vak beheerste is gelukkig voorgoed verleden tijd. De bewonderenswaardige pogingen om vroegere tijden en oude culturen te begrijpen in hun eigen mentaliteit, zonder onmiddellijk een moreel oordeel uit te spreken, hebben het zicht op het verleden complexer maar ook waarachtiger gemaakt. Eenzelfde soort proces heeft zich ook in de sociale wetenschappen afgespeeld, waarin bijvoorbeeld de antropologie andere culturen niet langer uitzet op de strakke lijn van primitief naar modern.

Een belangrijke verandering in de wetenschappelijke speurtocht naar betere kennis is de toegenomen massaliteit en collectiviteit van het wetenschapsbedrijf. Aan het begin van de eeuw overheerste nog het scherpe inzicht van de individuele wetenschapper. De nieuwe eeuw was net begonnen, of daar kwam Einstein met zijn relativiteitstheorie, en daar kwam ook de quantumtheorie, die teruggaat op ideeën van Max Planck. Einstein is onlangs door het Amerikaanse weekblad Time uitgeroepen tot `man van de eeuw'. Maar Einstein, met zijn imago van vriendelijke en verstrooide professor, gaf óók het startschot voor de atoombom: het eerste collectieve big science-project. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog stuurde hij, samen met anderen, een brief naar de Amerikaanse president Roosevelt. De boodschap luidde: op grond van recent ontdekte kernsplijtingsprincipes kan een krachtig nieuw wapen worden ontwikkeld, Duitse wetenschappers zijn daar waarschijnlijk al mee bezig. Toen de VS bij de oorlog betrokken raakten, werden in Los Alamos in Arizona en elders in Amerika grote laboratoria uit de grond gestampt waar het nieuwe wapen in ijltempo werd ontworpen en gefabriceerd. Dit grootschalige Manhattan-project verschafte de wetenschap na de oorlog een ongekende status en de geldkraan ging wijd open. Big science werd traditie, met name in de deeltjesfysica met haar kolossale versnellers.

EEN BIG SCIENCE-PROJECT dat nu volop in de belangstelling staat is het Human Genome-project. Dat beoogt onder andere om de erfelijke code van de mens te kraken (onlangs voorlopig bekroond met de basenvolgorde van het menselijke chromosoom 22). Dit project dwingt, aan het begin van een nieuwe eeuw, om nadrukkelijk de aloude vraag te stellen of de wetenschap niet te ver is doorgeschoten, en of zij met haar kennis en haar toepassingen niet te dicht bij het leven zelf is gekomen. De manipulatie van de dode stof is tot ongekende hoogte doorgezet. De moleculair-biologische sprong voorwaarts heeft, in tegenstelling tot het Manhattan-project, niet het winnen van een oorlog tot doel. Als er al een doel buiten de wetenschap is geformuleerd (wetenschap zoekt altijd naar het onbekende), wordt meestal een geneeskundige toepassing genoemd. Deze toepassing lijkt onomstreden.

Het is opvallend dat de maatschappelijke discussie over toepassing van genetische technieken vrijwel nooit de ontwikkeling van geneesmiddelen betreft, of het om medische redenen genetisch veranderen van proefdieren. Zelfs tegen gentherapie bij de mens zelf wordt zelden geprotesteerd – zolang niet ook tegelijkertijd zijn nageslacht blijvend wordt veranderd. De weerstand tegen genetisch gemanipuleerd voedsel wordt daarentegen wel steeds manifester. Deze lijkt vooral gebaseerd op emotionele afkeer. Nog nooit is ons voedsel zo veilig geweest. Nog nooit hebben ecologische ingrepen om de voedselproductie op peil te houden zo voorzichtig plaatsgehad. Maar de weerstand tegen de producten van de biotechnologie stijgt alleen maar.

DE GROTE VRAAG voor de komende decennia is in hoeverre deze stormenderhand verworven kennis toepasbaar zal worden in de maatschappij. Nu is de aandacht nog sterk gericht op de aanvaarde medische en de verafschuwde voedseltechnologische toepassingen. Maar de moleculair-biologische ontwikkelingen zullen ook andere wetenschapsdisciplines sterk beïnvloeden, een proces dat in de psychologie en neurowetenschappen al duidelijk valt waar te nemen en dat onherroepelijk ook de maatschappijwetenschappen zal bereiken.

Sterker dan ooit geldt het aloude adagium dat de mensheid meer niet dan wel weet. En na een eeuw waarin de wetenschap het aanzien van de wereld en de ontwikkeling van de maatschappij ingrijpend heeft beïnvloed, geldt ook sterker dan ooit dat de inpassing in de maatschappij van de kennis die we wèl hebben een kwestie is die iedereen aangaat – en dat bij die inpassing kennis van zaken, en niet emoties, uitsluitsel moet bieden.