Auteur is aansprakelijk voor zijn personages

De schrijver Herman Brusselmans, wiens roman Uitgeverij Guggenheim in België verboden is, vindt dat hij geen verantwoording dient te dragen voor zijn karakters. Maar een schrijver die dat vindt, bedient zich van een monsterlijke vrijheid, meent Léon Hanssen.

In de roman Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans komt een aantal antikatholieke passages voor, die in 1952 leidden tot een rechtszaak tegen de auteur. De criticus en kunstambtenaar D.A.M. Binnendijk nam het voor de aangeklaagde op en legde voor de rechtbank uit dat een schrijver niet verantwoordelijk mag worden geacht voor de uitspraken van zijn personages. Het literaire werk staat als creatie los van zijn auteur. Mede dankzij deze uitleg werd Hermans vrijgesproken.

Het argument dat auteurs geen aansprakelijkheid dragen voor woorden en daden van figuren uit hun literaire werk, is nadien herhaaldelijk van stal gehaald om hen te beschermen voor justitiële veroordeling en hun naam te zuiveren van blaam. Hetzelfde argument wordt nu weer gebruikt nadat de modeontwerpster Ann Demeulemeester op grond van beledigende passages in België een verbod heeft weten af te dwingen op de roman Uitgeverij Guggenheimer van Herman Brusselmans. De vraag is of het doorslaggevende motief bij de verdediging van W.F. Hermans nu, bijna vijftig jaar later, nog steeds evenveel kracht heeft als toen.

Collega-schrijvers als Gerrit Komrij, Tom Lanoye en Martin Bril hebben zich intussen opgeworpen als verdedigers van de persvrijheid en spreken schande van het boekverbod. Met andere auteurs ondertekenden zij een petitie `Burgers tegen censuur'. Volkskrant-columniste Pauline Terreehorst daarentegen kan zich verplaatsen in de stap van Demeulemeester en verwijt de auteur niets minder dan `literaire verkrachting'. In een interview met Vrij Nederland van 20 november heeft Brusselmans deze daad inderdaad bekend, maar wijst er tegelijk op dat niet hij als auteur daaraan schuldig moet worden geacht, maar de fictieve, absurde hoofdpersoon van het boek, Guggenheimer. 'Je moet wel heel erg van kwaaie wil zijn om hem in de rest van het boek letterlijk te interpreteren'.

Het beproefde verdedigingsmechanisme lijkt nog steeds te functioneren. Niet de auteur die iemand met naam en toenaam op grove wijze in zijn boek beledigt s van kwade wil, maar de lezer die dit letterlijk neemt. Vijftig jaar geleden domineerde in de literatuurkritiek nog het zogenoemde autonomieprincipe. Een literair werk is een zelfstandig geheel dat volstrekt los moet worden gezien van zijn schepper. De auteur kan, neen moet genegeerd worden bij de interpretatie van de tekst.

Reeds in de jaren zestig is deze theorie echter op losse schroeven komen te staan. Een boek bleek veel meer verbindingen te bevatten dan alleen strikt binnen de tekst zelf. Verbindingen bijvoorbeeld met de literaire traditie, de cultuurhistorische context, de persoon van de auteur, het perspectief van de lezer. Ook groeide het inzicht dat een literair werk méér is dan alleen een esthetisch fenomeen. Een roman bezit altijd ook diverse ethische, filosofische en politiek-strategische elementen, die vaak in een vernuftig spel verstoppertje met elkaar spelen, maar niettemin duidelijk vorm geven aan wat genoemd is de `verwachtingshorizon' van het werk.

De laatste jaren komen verschillende auteurs, onder wie Connie Palmen en Adriaan van Dis, expliciet uit voor het autobiografische karakter van hun fictie en leggen daarvan publiekelijk verantwoording af. Niet dat zij een strakke één-op-één relatie tussen schrijver en romanheld leggen, maar zij erkennen wel een onlosmakelijke band tussen beiden. Zelfs de hogepriester van het l'art pour l'art, de Franse schrijver Gustave Flaubert, was in de vorige eeuw zo eerlijk om te bekennen: `Madame Bovary, c'est moi'.

De strikte scheiding tussen `vorm' en 'vent' is anno 1999 nog slechts een sprookje. Een auteur die een beetje vent is, stelt zich aansprakelijk voor zijn vorm, dus ook voor zijn karakters. Een lezer die op zijn beurt de werkelijkheid van het literaire werk probeert te toetsen aan de werkelijkheid daarbuiten, wordt heus niet vanzelf gedreven door kwade wil of naïveteit. Het verschil tussen beide werkelijkheden maakt dat nog altijd voldoende overblijft voor de verbeelding.

Het beroep op de vrijheid van de verbeelding komt in het gedrang wanneer een schrijver de symbolische orde van de fictie verlaat om zijn romanfiguur reëel bestaande en alom bekende persoonlijkheden de huid te laten vol schelden. Ook de schrijfster Monika van Paemel blijkt zich thans op gerechtelijke stappen tegen Brusselmans te beraden. Waarom zou zij niet? Een schrijver die geen verantwoording wenst te dragen voor zijn karakters, bedient zich van een monsterlijke vrijheid. En hij weet dit. Het autonomieprincipe waar Brusselmans zich op beroept, kan daarvoor geen legitimatie meer verschaffen. Hier wordt niets meer aan de verbeelding overgelaten, hoogstens blijft ons de verbazing hoe een auteur met zulke naïeve en versleten argumenten de vermoorde onschuld probeert te spelen. Er wordt dan ook gefluisterd dat achter deze affaire alleen maar een sluwe verkoopstrategie werkzaam is. Nog steeds is een boekverbod een uiterst efficiënt middel om van datzelfde boek een verkoophit te maken. Dit zogenoemde schandaal lijkt van alle kanten op een aap.

Léon Hanssen is als historicus en literatuurwetenschapper verbonden aan de Katholieke Universiteit Brabant.

een sprookje