AOW

Toelichting: Per 1 januari 2000 worden de uitkeringen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) overeenkomstig de Wet Koppeling met Afwijkingsmogelijkheden (WKA) verhoogd. Dit is een gevolg van de halfjaarlijkse aanpassing van het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen aan de ontwikkeling van de lonen.

De wijziging leidt ertoe dat bijvoorbeeld een echtpaar waarvan beide partners 65 jaar of ouder zijn en dat alleen een AOW-uitkering heeft er, vergeleken met de uitkeringen per juli 1999, netto ruim 40 gulden per maand bij krijgt. De totale netto-uitkering voor een echtpaar komt daarmee op zo'n 2.146 gulden per maand. Iedere partner ontvangt 50 procent van dit bedrag. Alleenstaanden krijgen er netto per maand ongeveer 25 gulden bij. Deze bedragen gelden voor AOW'ers zonder aanvullend pensioen en met een ziekenfondsverzekering. De kinderbijslag wordt extra verhoogd met ongeveer 30 gulden per kwartaal per kind.

Het AOW-pensioen voor gehuwden is netto gelijk aan 50 procent van het nettominimumloon als beide partners 65 jaar of ouder zijn. Het nettopensioen van een ongehuwde is gelijk aan 70 procent van het nettominimumloon. Een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar ontvangt een pensioen van 50 procent van het nettominimumloon en een toeslag van maximaal hetzelfde bedrag (bruto 1.198,17 gulden). Een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar die voor 1 februari 1994 al recht had op een AOW-uitkering ontvangt een pensioen van 70 procent van het minimumloon en een toeslag van maximaal 30 procent van het minimumloon.

Gezinnen met één ouder ontvangen een pensioen dat netto gelijk is aan 90 procent van het nettominimumloon. Het gaat hier om ouderen die ongehuwd zijn en een kind hebben dat jonger is dan 18 jaar voor wie zij kinderbijslag ontvangen.

De gehuwde gepensioneerde met een partner jonger dan 65 jaar kan een toeslag op het ouderdomspensioen ontvangen die afhankelijk is van het inkomen van die jongere partner. Van dit inkomen wordt een deel buiten beschouwing gelaten. Deze vrijlating bedraagt 15 procent van het brutominimumloon met inbegrip van de overhevelingstoeslag (368,87 gulden) en een derde deel van het meerdere aan bruto-inkomsten. Wat daarna overblijft wordt in mindering gebracht op de toeslag. Ingeval recht bestaat op een maximale toeslag van 30 procent van het minimumloon (bruto 667,83 gulden), bestaat bij een bruto-inkomen (met inbegrip van de overhevelingstoeslag) van de jongere partner van meer dan 1.370,61 gulden geen recht meer op een toeslag. Wanneer de maximale toeslag 50 procent van het minimumloon (bruto 1.198,17 gulden) bedraagt, bestaat bij een bruto-inkomen (met inbegrip van de overhevelingstoeslag) van 2.166,13 gulden of meer geen recht meer op een toeslag. Inkomen in verband met arbeid, bijvoorbeeld een sociale verzekeringsuitkering, wordt geheel gekort op de toeslag.