Af en toe komen ze kijken

Aaltje Lammerts-Van Bueren (72) krijgt nooit bezoek. Ze heeft geen kinderen, alleen nog een nicht, een zus en ,,een stelletje broers''. ,,Ik geloof vijf, maar ik weet het niet zeker want er bennen d'r overleden.'' Bij haar broers thuis komt ze ook nooit, vertelt ze opgewekt in de koffiezaal van het verzorgingshuis. ,,Die hebben allemaal kinderen. En die kinderen hebben weer kinderen. Allemaal drukte drukte drukte. Wij kunnen daar niet bij. Die schoonzusters kunnen dat niet organiseren.'' De nicht ziet ze ook weinig, ,,hoogstens als er eens een doodgaat''.

`Familiebezoek' is voor sommigen een pijnlijk onderwerp op het koffieuurtje in het Utrechtse Bartholomeus Gasthuis. Twee vrouwen willen er liever helemaal niets over zeggen. Broers en zusters zijn al gestorven of wonen te ver weg voor een bezoek. Bellen is maar beperkt mogelijk van het zakgeld van driehonderd gulden per maand. Aaltje telefoneert wel met haar broers, maar ook niet veel. ,,Met oud en nieuw, en verder als ik in de nesten zit. Maar meestal niet als ik in de nesten zit. Dat wil ik graag zelf oplossen, begrijpt u.''

Als er kinderen en kleinkinderen zijn, dan hebben die vaak een vol, druk leven. Daar zijn opa en oma dan wel weer erg blij om, ook al betekent het dat ze hen minder zien. ,,Wat ze doen weet ik niet, maar ze hebben wel een goede baan'', zegt een vrouw van 95 over haar kleinkinderen. Trots vertelt ze dat ze morgen wordt opgehaald voor een schaars dagje bij haar zoon.

Over de frequentie van bezoek aan ouders, groot- en schoonouders en andere familie is opmerkelijk weinig bekend. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft wel gegevens over `sociale contacten met derden in de huiselijke sfeer', maar dat betreft behalve familie ook vrienden en kennissen. Tussen 1975 en 1995 nam het aantal uren dat men daar in Nederland aan besteedt met anderhalf uur af tot gemiddeld zeven uur per week. Juist onder 65-plussers was de teruggang sterk: Van 11,2 naar 7,9 uur.

Van de drie dochters van meneer Venema (85), een tengere man met gebogen rug, woont er één in Zwitserland, en één in Friesland. Beiden ziet hij vrijwel nooit. De jongste wel, die bezoekt haar ouders twee keer per week. Mist hij de anderen? Hij haalt zijn schouders op. ,,Ik kan er toch niets aan doen.'' Ze bellen ten minste een keer per week, dat is al heel wat. Mevrouw Mulder (90), gezeten in een rolstoel aan het hoofd van een tafel, heeft geluk. Haar drie dochters en drie zoons wonen allemaal in de stad. ,,Af en toe komen ze eens kijken. Ze wassen mijn kleding, ze nemen me mee op vakantie. Ze zorgen reusachtig goed voor mij.''

Volgens het SCP kan uit de cijfers niet worden afgeleid dat er sprake is van `sociale verschraling'. Tussen 1975 en 1995 is namelijk ook de `uithuizigheid' sterk toegenomen. Dat kan er volgens het SCP op wijzen dat men familie, vrienden en kennissen vaker buiten de deur treft, bijvoorbeeld in cafés, musea en bij sportwedstrijden.

Een tandeloze vrouw van ,,85 en een half'' heeft alleen nog een neef in Alkmaar, de oudste zoon van de broer van haar overleden man. Toen ze 80 werd gaf hij een feest voor haar. ,,Toen ik 85 werd wilden ze dat weer doen. Ik zeg nee hoor. Wat wil je dan, zei hij. Toen hebben ze me in de auto meegenomen naar het tuincentrum.'' Genietend: ,,En daar hebben we een kopje koffie gedronken.''