Worstelen met allochtonen

Misschien is het overdreven nuffig, maar als ik in een vaktijdschrift voor neerlandici een interview lees, afgenomen door twee universitaire docenten, die in een van hun vragen refereren aan `een boute uitspraak', dan heb ik eigenlijk geen zin meer om verder te lezen. Alhoewel `boute' in plaats van `boude' is toegestaan volgens Van Dale en het Groene Boekje, maakt het op mij de indruk van taalverbastering.

De geïnterviewde, de uit Iran afkomstige Nederlandse dichter Kader Abdolah, heeft als jurylid van de VSB-poëzieprijs de complete dichterlijke oogst van 1998 gelezen. Deze arbeid heeft hem bevestigd in zijn idee `dat Nederland heel rijk is op het gebied van de dichtkunst'. Het Nederlandse proza is volgens hem veel minder groot. `De ziel van dit volk komt goed in gedichten naar voren, maar in proza niet.' Mij intrigeert zo'n opmerking. Wat zou hij bedoelen met `de ziel van dit volk'? We komen het niet te weten.

Het vraaggesprek met Abdolah staat in een themanummer van Literatuur over allochtone literatuur, waaraan het opvallendst is dat er – behalve de geïnterviewde – geen enkele allochtoon in figureert. Alle bijdragen zijn geschreven door autochtone Nederlandse literatuurwetenschappers. Overigens blijkt zowel uit de titel van het themanummer als uit het redactionele Ten geleide dat de redactie geen voorstandster is van het begrip `allochtoon'. Het nummer heet `Literaturen in het Nederlands', waarmee men kennelijk wil zeggen dat er in de multiculturele samenleving geen dominante Nederlandse literatuur meer bestaat of hoort te bestaan. `Het feit dat er naast auteurs als A.F. Th. van der Heijden, Gerrit Krol of Nelleke Noordervliet, schrijvers als Moses Isegawa, Mustafa Stitou, Astrid Roemer en Elisabeth Eybers publiceren, en gelezen en besproken worden, maakt duidelijk dat `de Nederlandse literatuur' al lang niet meer bestaat', schrijft Odile Heynders van de Tilburgse letterenfaculteit. Zoiets roept weer meer vragen op, dan dat het iets verduidelijkt. Heeft `de' Nederlandse literatuur ooit bestaan? Hoorde daar ook bij wat schrijvers en dichters afkomstig uit de voormalige Generaliteitslanden hebben bijgedragen?

Bert Paasman, universitair hoofddocent Koloniale en Postkoloniale literatuur aan het instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam vindt de begrippen autochtoon en allochtoon verhullend. Hij spreekt liever van `etnische literatuur' en doet in een uitvoerige bijdrage een poging `de Nederlandstalige etnische literaturen' te introduceren. Af en toe probeert hij een aanzet tot polemiek te geven, maar die strandt doordat hij weigert man en paard te noemen. `Sommige literatoren', schrijft hij bijvoorbeeld, `vinden dat de etnische auteurs te veel aandacht krijgen in de media. Die aandacht zou voornamelijk door politieke correctheid ingegeven zijn, misschien wel een vorm van overcompensatie. Dit moet men zeker niet uitsluiten.'

Ook Ton Anbeek, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Leiden, heeft moeite met het woord allochtoon. In een bijdrage over de receptie van de Marokkaans-Nederlandse auteurs stelt hij dat die fraaie Griekse term iets afdekt. `Is het niet vreemd dat bijvoorbeeld Ethel Portnoy, een Amerikaanse die in het Nederlands schrijft, nooit een `allochtoon' auteur wordt genoemd?' Anbeek verwijt `de kritiek' dat ze op debuten van Marokkaanse schrijvers `met overspannen loftuitingen' heeft gereageerd, maar dat maakt hij niet waar. Als `meest typerende voorbeeld' hiervan noemt hij De weg naar het noorden van Naima El Bezaz, een roman die spaarzaam en overwegend kritisch is besproken. Weliswaar kreeg het boek een jeugdboekenprijs, maar daar kunnen de critici niets aan doen. Overigens zal iedereen het met Anbeeks conclusie eens zijn dat jonge, getalenteerde Marokkaans-Nederlandse auteurs eerlijk beoordeeld moeten worden, zonder `neerbuigende welwillendheid'. Ik kan me niet voorstellen dat iemand er anders over denkt.

Gedegen en leesbaar is ten slotte de bijdrage van Lisa Kuitert, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, over Nederlandse uitgevers van multiculturele literatuur, waarin onder andere staat dat De Arbeiderspers en andere uitgeverijen het manuscript van Moses Isegawa's Abessijnse Kronieken geweigerd hebben. De roman verscheen bij De Bezige Bij en de eerste druk van 10.000 exemplaren was binnen een week uitverkocht.

Literatuur. Tijdschrift voor Nederlandse letterkunde. Jaargang 16, nov./dec. 1999. Uitg. Amsterdam University Press. Prijs ƒ15,-