Twee kerstredes

Onlangs heeft de minister-president bekend gemaakt dat in kleine kring, waar hijzelf wel deel van zal uitmaken, nagedacht wordt over de modernisering van ons koningschap. Nu de dames en heren daar toch mee bezig zijn, kunnen ze misschien ook eens hun gedachten laten gaan over functie en vorm van de jaarlijkse kerstrede van ons staatshoofd.

Is er wel eens onderzoek gedaan naar de luisterdichtheid en het effect ervan? 's Middags eerste kerstdag, om 1 uur, na nieuws en reclame, lijkt niet hèt uur waarop heel veel mensen de gezelligheid zullen onderbreken om op Radio 1 af te stemmen. En wordt er wel rekening mee gehouden dat vijf à tien minuten geconcentreerd luisteren meer is dan de meeste mensen kunnen opbrengen?

Want de taal waarin de koningin haar gedachten formuleert, vergt geconcentreerd luisteren – vooral wanneer haar positie haar ertoe dwingt eerder op gebeurtenissen te zinspelen dan man en paard te noemen. Zeker, we kunnen het twee dagen later in de krant nalezen, maar hoeveel mensen nemen die moeite?

Maartje van Weegen moest dan ook na het nieuws van dezelfde avond als exegete optreden om ons uit te leggen wat de koningin bedoeld had of zeker niet bedoeld had met bepaalde uitspraken. Dat betrof dan vooral haar uitspraak over de vraag naar meer openheid, die volgens haar `gerechtvaardigd' is.

Laten we dat eens vergelijken met de kerstrede die koning Albert van België op dezelfde dag uitsprak, een rede die minder dan de helft besloeg van de rede van onze koningin. Dat noodzaakte hem tot beknoptheid en duidelijkheid. Goethes woord `In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister' (in de zelfbeperking blijkt pas het meesterschap) werd weer eens bewaarheid.

Hij bepaalde zich hoofdzakelijk tot twee thema's. In de eerste plaats sprak hij niet over openheid, maar betrachtte hij die, en wel toen hij de crisis in zijn huwelijk, nu dertig jaar geleden, te berde bracht. Impliciet gaf hij ook toe dat de verhalen die daarover de laatste tijd weer de ronde deden, op waarheid berustten. Blijkbaar regeert in België de leugen nog niet.

Het tweede thema dat hij aansneed, was de `versnelde globalisatie van de economie'. In één zin sprak hij de hoop uit dat zij gepaard zou gaan met `meer sociale rechtvaardigheid op het internationale vlak' en met `groter respect voor het milieu' en voor de `culturele verscheidenheid'. Meer hoefde hier niet over gezegd te worden.

Ook koningin Beatrix raakte dit onderwerp aan, toen zij sprak over de `ongebreidelde toepassing van informatie- en communicatietechnologie'. Haar zorg was dat de `menselijke interactie' uit het oog zou worden verloren. Naar wat zij daarmee precies bedoelde kan, ook na lezing van de tekst, slechts worden gegist.

Daarna kwamen nog andere onderwerpen aan de orde: de politieke integratie van Europa, waarvan de `belangrijkste uitdaging ligt in oostelijke richting' (waarom niet gewoon: Oost-Europa?); de `ernstige bedreiging van de draagkracht van de aarde' als gevolg van de `voortdurende toename van materiële productie'; de individualisering, die het gevaar van `verschraling van het groepsgevoel', maar ook de behoefte aan `nieuwe vormen van menselijke verbondenheid en saamhorigheid' kan meebrengen.

Ongetwijfeld zijn dit alle uiterst belangrijke zaken, maar het is te veel om door de simpele luisteraar in tien minuten verwerkt te kunnen worden. Hij heeft nauwelijks kunnen nadenken over het ene probleem, of hij wordt alweer met het andere geconfronteerd. Dat is op den duur onbevredigend, tenzij hij zich laat wiegen door het gevoel dat hier mooie dingen gezegd worden.

Eén zaak heeft kennelijk de bijzondere aandacht van de koningin: het bewustzijn dat machtsuitoefening niet alleen tussen staten, maar ook binnen landen `moet worden getoetst aan de internationale rechtsorde'. Was aanvankelijk nationale soevereiniteit een onaantastbaar begrip, nu winnen internationaal aanvaarde normen meer en meer aan gewicht.' Zij vindt dit `een van de meest hoopgevende ontwikkelingen in onze tijd'.

Hier spreekt duidelijk de regering (=staatshoofd èn kabinet), want zulke geluiden heeft minister Van Aartsen ook herhaaldelijk laten horen. Maar de tekst van de koningin laat toch enkele vragen onbeantwoord. Hoe kan, bijvoorbeeld, machtsuitoefening binnen landen – hier had toch Kosovo genoemd moeten worden, al was het maar om de luisteraar bij de les te houden - getoetst worden aan de internationale rechtsorde, wanneer die rechtsorde nog steeds uitgaat van de nationale soevereiniteit? Of is het de bedoeling dat de internationale rechtsorde veranderd wordt?

Andere vraag: zijn die normen die `meer en meer aan gewicht' winnen tegen de nationale soevereiniteit, werkelijk `internationaal aanvaarde normen'? Ook door landen als Rusland, China, Turkije (en zo kunnen we nog talloze andere landen noemen)? Nederland moet ervoor oppassen dat het niet die nieuwe normen met dezelfde gretigheid aanvaardt als waarmee de Kamer een paar jaar geleden lichtbewapende soldaten naar het onverdedigbare Srebrenica stuurde. Of is ons devies: `Fiat justitia, et pereat mundus' (het recht moet zijn loop hebben, al vergaat de wereld erbij)?

Deze kritische vragen mogen ook naar aanleiding van een rede van het staatshoofd worden gesteld. Immers: ,,Eenieder die voor het voetlicht treedt, zal op zijn prestaties worden beoordeeld. De kritische houding waarmee waarheid wordt onderzocht en geloofwaardigheid getoetst, is zeker positief.'' Ook dat heeft de koningin in haar kerstrede gezegd.