Strijd tegen het vuil is taak voor links

Op 7 mei 1990 kwam in de Beurs van Berlage in Amsterdam een gezelschap van intellectuelen, kunstenaars en PvdA-politici bij elkaar om te praten over onderwerpen die te maken hebben met de toekomst van het socialisme. De classicus Gerard Koolschijn, die een inleiding hield, meende dat een nieuwe ideologie nodig was en hij sprak de hoop uit dat links die zou zoeken bij het vuil. De rede werd later dat jaar afgedrukt in het Hollands Maandblad.

Hoewel alles onuitsprekelijk moe is, zijn wij hier weer in een zaaltje bijeengekomen om woorden op elkaar af te vuren. Omdat ze over politiek gaan en politieke woorden een greep doen naar het leven van anderen, is het raadzaam ze te ontmantelen tot op het eigen belang. Edele bedoelingen zijn pas interessant voor wie werkelijk politiek gaat bedrijven.

Ik zal dus iets zeggen over mijn eigen belang en daarna kort drie politieke wegen aanduiden om voor dat belang op te komen - die alle doodlopen.

Dat ik van mijn eigen belang uitga en edele bedoelingen laat voor wat ze zijn, heeft twee voordelen en minstens één nadeel. Een voordeel voor mijzelf is dat ik mijn hersens niet tot objectivering hoef te pijnigen. Een voordeel voor u is, hoop ik, dat u in een vroeg stadium kunt beslissen de oren te sluiten, zodra u duidelijk is geworden dat u met zo'n belang in elk geval niets gemeen hebt. Als over enkele minuten niemand meer luistert, blijft alleen deze inleiding over als procedurevoorstel, eerst je eigen belang noemen, voordat je een politieke wens op tafel legt.

Want een nadeel van mijn aanpak is dat ik mezelf met m'n schrale eigenbelang in al m'n beperktheid en onoorspronkelijkheid tentoonstel en zo een voorbeeld word van de clichématigheid waarvan in de uitnodiging voor deze bijeenkomst juist afstand wordt genomen.

Ik ben, opnieuw, geschrokken van de kloof die mijn egocentrische-kleine-jongen verlangens scheidt van de politieke grote-mensen-wereld.

Om u één reden tot wrevel te ontnemen meld ik nog dat ik bewust ben in de twintigste eeuw, in Nederland, in materieel opzicht vanuit een extreem luxueuze positie te praten.

Nu, mijn belang zou je negatief materieel kunnen noemen: ik wil niet begeerlijke zaken verwerven, maar ergerlijke zaken laten verdwijnen. Mijn grootste ergernis geldt even afgezien van de lintjesregen de reusachtige rotzooi om mij heen, van het vuil op straat tot het vuil in de ruimte.

Voor ik iets meer over dit vuil en zijn herkomst zeg, vertel ik graag meteen in welke grove politieke categorieën ik denk. Ik onderscheid niet meer dan twee partijen, die ik gemakshalve blijf noemen: rechts en links. Reactionaire conservatieven en middengroeperingen vertroebelen mijn beeld, vooral als ze zich christelijk noemen en met edele bedoelingen op een onvoorspelbare manier ondoorzichtige belangen dienen.

Rechts streeft naar zoveel mogelijk individuele vrijheid en bereikt met dat streven een grote vrijheid voor een minderheid van gewiekste sterkeren.

Links wil voorkomen dat die minderheid de niet zo gewiekste zwakkeren uitbuit en probeert daarom de individuele vrijheid te beperken.

Momenteel kraait rechts victorie. Centraal in dat gekraai staan de woorden `het einde van de ideologie'. Rechts geeft daarmee nog eens duidelijk te kennen dat het eigen streven naar individuele vrijheid niets met een ideologie te maken heeft en dat vrijheid in de mond van rechts niet meer is dan een mooi woord voor wat wezens al deden voordat er woorden voor waren: hun gang gaan.

Niettemin eist rechts nu het hoogste stadium van politieke ontwikkeling, de democratie, voor zichzelf op en probeert het iedereen de identiteit van economische en politieke bedrijvigheid op te dringen. Het bedrijfsleven zou zonder de politiek alles prima voor elkaar krijgen. ,,Heel de wereld is bezig liberaal te worden'', schrijven de gezapigen, - om daarna in vrijheid te stikken.

Links is geleidelijk tot de ontdekking gekomen dat zijn meest extreme vertegenwoordigers hetzelfde als rechts hebben gedaan, maar op een dommer manier. Het probeert nu onder de vleugels van rechts te overleven, maar beseft tegelijk dat dit niet lang kan duren. Een nieuwe ideologie is nodig, willen de linkse banen blijven bestaan. Is die nieuwe ideologie ook los daarvan nodig? Ik vind van wel en ik hoop dat links die zal zoeken bij het vuil.

Het vuil is voor mij het rondwaaiende papier en de gesloopte telefooncellen op straat, de pitbull waarvoor ik met mijn dochtertje omloop, de krassen op het (onopdringerige) beeldje dat net een dag in het plantsoen staat, de winkelmuziek waarmee de openbare weg als binnenruimte wordt geannexeerd, de terreinwagens van de kroegbazen, de reclametorens bij de toegangswegen naar de steden, het snelwegknooppunt waarvoor een vogelkolonie is weggebulldozerd, de olie-, plastic-, touw-, kettingbelt op het strand, en dan verder via de glijdende schaal die u zich zult kunnen voorstellen, tot en met de apparatuur die met veel poeha de ruimte in wordt geschoten. Ik zie geen onderscheid tussen de president die zijn ruimtevaartprogramma aankondigt en de man met een kalf van een hond die grotere stappen zet dan zijn baas. Disproportioneel pronken, meer lijkt met financiële armslag niet te bereiken.

Al dit vuil heeft gemeen dat het wordt bekostigd vanuit het materiële overschot dat rest nadat aan basisvoorwaarden van voedsel, kleding, behuizing en hygiëne is voldaan, en dat het op zijn beurt dit materiële overschot vergroot.Wat om mij heen gebeurt, wordt bepaald door de bedrijvigheid van de gewiekste verkopersziel die vooral van geld meer geld wil maken.

Een paar jaar geleden explodeerde in de Verenigde Staten kort na de lancering een ruimteschip. De slachtoffers werden door hun politieke leider als helden van de vooruitgang uitgeluid. Vooruitgang! Voor mij kunnen er niet genoeg uit elkaar spatten: het verdiende loon, niet zozeer voor de stakkers aan boord, nog minder voor de familie die hen in rook ziet opgaan, maar wel voor de hele begoochelde santekraam die zijn speelgoed laat rondcirkelen boven miljoenen mensen die vergaan van honger.

Hé, komen hier op een vreemde manier edele bedoelingen om de hoek kijken? Nee, ik kan mij niet herinneren in mijn leven meer dan laten we zeggen honderd gulden te hebben gestort voor medemensen in nood. Blijkbaar heb ik met mensen niet zoveel op.

Ook mijn (weinig spectaculaire) bijdragen aan organisaties als Greenpeace zijn in de eerste plaats tégen mensen bedoeld. Het bericht dat de zee zo vervuild is dat zeehonden moeten worden verbrand als chemisch afval, maakt mij vooral razend op de botte verkoper en zijn handlangers. Hoewel ik op een wandeling liever het op twee na laatste korhoen tegenkom aan de rally-crosstoeschouwer die het vorige week doodreed, staat de bedreigde zeeotter, die gespannen in de richting van zijn vernietigers kijkt, naar ik vrees vooral voor mijzelf.

Is het niet erg overdreven je bedreigd te voelen doordat je op een hoogvlakte onder de top van de Kyllini - waar Hermes is geboren, de god van de verkopers die de mensen begeleidt naar de dood - bij de enige bron wordt aangesproken door een herderszoon betrokken bij het openleggen van een naburig bos, die zegt wanneer hij om een sigaret vraagt: ,,Marlboro, an ine dhination?''

Liefst Marlboro.

Ja, die benauwdheid is ongetwijfeld abnormaal. Daarom ben ik in dit zaaltje ook niet op mijn plaats, en in geen enkele politieke discussie.

Even abnormaal zal het zijn dat mijn vreugde over het einde van een dictatuur wijkt voor mijn ergernis wanneer ik onder leiding van de zelfvoldane Kohl de nieuwe verkoperslegers van het volgevreten westen die met hun televisie als wapen de vrijemarkteconomie hebben doorgedrukt, het oostblok zie binnenrukken om de zaak daar nu eens met behulp van EEG-geld ,,in cultuur te brengen.''

Maar hoe gek zijn de normalen? ,,Spinnen wir jetzt alle?'' schreef een lid van het Zwitserse parlement dat de Alpenmuur tussen noord en zuid beheert, waarin de verkoper steeds nieuwe gaten wil boren om stinkend en denderend door de dalen nog meer goederen nog sneller van hot naar her te kunnen verplaatsen. Het liefst zouden ze de Alpen helemaal afgraven als ze die niet nodig hadden om er 's winters in gifkleurige kleding vanaf te razen.

Een meer abstracte, verder verwijderde bedreiging vormt voor mij het bericht dat wie hier in Nederland gedurende honderd dagen zijn auto laat staan, evenveel energie bespaart als een Indiër in tweeëndertig jaar verbruikt. Wat als de dappere eenling die nu in China even een rij tanks tot stilstand bracht, erin zal zijn geslaagd de weg te banen waarlangs de gewiekste westerling ook aan meer dan een miljard Chinezen de zegeningen van de vrijheid brengt?

Mijn egocentrische behoefte aan ruimte is zo groot dat ik me in het nauw voel gedreven door de opmars van de democratische verkoper, voor wie in het hart van de stad nu in plaats van een kerk een casino verrijst, de tempel van de proleet, om mij eraan te herinneren wiens waarden in mijn toekomst zullen gelden - om duidelijk te maken dat de bevoogding namens een hersenschim definitief heeft plaats gemaakt voor het onbegrensde graaien.

Leren wij dan nooit ons verstand gebruiken op een manier die - tja, op een manier die mij bevalt?

Van vrijwel stilstand in de vroege Middeleeuwen zijn mensen na een rustige draf vanaf de veertiende eeuw in de steeds razender galop van de industrialisatie terechtgekomen die nu allang is overgegaan in een turbotempo dat toch alleen met een doodsklap kan eindigen?

We hebben de wereld zo klein als een knikker gemaakt: met één duimbeweging schieten we hem het heelal in.

Zijn dit niet meer dan retorische beelden, ,,afkomstig van een brein door koorts verhit?''

Hoe het ook zij, mijn belang wil: remmen, niet zo dynamisch aan alles voorbijgaan, de verkoper het stuur uit handen nemen, een eind maken aan de ongerichte en onevenredig over de wereld verdeelde economische groei, de bestaande kennis gebruiken om waar het nog kan kleinschalige landbouwsamenlevingen te scheppen of te steunen, niet ook de laatste regenwoudvolken tot krottenbewoners maken, miljarden mensen de ellendige omweg via stad, vervuiling en kaalslag te besparen, elke schaalvergroting als kenmerkende wens van het internationale verkopersdom tegengaan - en dat alles om voor mijzelf van tijd tot tijd een stille plek in de natuur te vinden, waar de wals van de vooruitgang mij niet kan vinden.

Stel dat ik voor dit abnormale belang toch langs politieke weg zou willen opkomen - want ik wacht op een initiatief van de overheid dat voor iedereen geldt, zo benepen ben ik wel - dan zijn er drie wegen.

De eerste is: onder de huidige politiek omstandigheden stemmen. Ik kan mij één partij in Nederland herinneren met een programma dat in grote lijnen bij mijn belang aansloot (PPR), maar zo'n partij is er nu niet.

En als die er wel zou zijn, zou ik er niet veel mee opschieten, want meer dan vijf, maximaal tien procent van de stemmen zou die partij niet op zich verenigen. Succes in de democratische politiek vraagt om succesvolle uitstraling. Alleen al het feit dat iemand klaagt, maakt hem nu tot een politieke randdebiel. Van kleine idealistische partijen heb ik niets te verwachten.

(Overigens is dit een van de redenen waarom ik vind dat de status van een parlementslid, voorzover uitgedrukt in salaris en voorrechten, minstens even hoog zou moeten zijn als van een minister.)

De tweede weg is: streven naar een wijziging in de politieke programma's of in het democratisch stelsel, waardoor de kans op een politieke meerderheid voor mijn belang wordt vergroot. Laat ik eerst uitgaan van de mogelijkheid dat wel degelijk een meerderheid van de bevolking in ons land het huidige welvaartspeil hoog genoeg vindt, maar dat die meerderheid aan de basis om verschillende redenen niet wordt omgezet in een politieke meerderheid. Een van die redenen zou kunnen zijn dat men mijn kleine partij, ook als die nu nog zou bestaan, niet zou steunen omdat men vreest zo zijn stem te verliezen.

Het wachten zou dan zijn op een bestaande grote partij die alleen al door zijn traditionele machtspositie het ogenschijnlijk onrealistische streven tot een reële basis van politiek handelen maakt.

Van rechts hoef ik wat dit betreft niets te verwachten. Weliswaar is de cultuur vermoedelijk beter af met rechts, maar een keus voor cultuur komt voor mij onder de huidige omstandigheden neer op het besluit om in schoonheid te sterven.

Maar van links?

Links heeft hier in Nederland weliswaar het streven om rechtse misdaden tegen te gaan de laatste vijfentwintig jaar langzaam omgebogen in het streven om de zwakken evenveel gelegenheid tot misdaad te bieden als de sterken, maar in principe is verzet tegen de natuurlijke gang van zaken een taak voor links. Ondanks de huidige schijn van het tegendeel hoort de roep om meer politie, meer controle, meer ordening bij links.

Van links leek tot voor kort in Nederland in dit opzicht niet veel te verwachten, met bestuurders die pas uit verkiezingsuitslagen afleiden dat het tijd wordt voor principes, met een minister van onderwijs die streeft naar een dynamisch onderwijssysteem gekoppeld aan de vrije markt, en een minister van milieu die laat weten dat mensen het gelukkigst zijn waar de wetten het geringst in aantal zijn: rechts credo bij uitstek.

Wat zouden ze er ook voor zichzelf mee winnen? - kon ik een paar dagen nog vragen, maar nu blijkt uit een opiniepeiling dat voor de middelbare scholieren het milieu de eerste zorg zou zijn. Het antwoord is dus: jonge kiezers.

Helaas zou ik ook met een keus van links in Nederland voor mijn belang weinig op schieten, om een zo dadelijk te noemen reden.

Eerst dit. Op mijn tweede weg (naar een wijziging in politieke programma's of het democratisch stelsel) ging ik even uit van de mogelijkheid dat de meerderheid van de bevolking in mijn belang zou kiezen. Het is reëler rekening te houden met een keus van de meerderheid vóór ongerichte economische groei.

Mijn enige uitweg is dan - en daarbij begeef ik me nog verder in drijfzand - dat die meerderheid ánders zou kiezen, als haar lusten niet werden geprikkeld door de verkopers en hun politieke vertegenwoordigers, die met hun geld meer reclame voor hun waren en hun standpunt kunnen maken dan de verdediger van het korhoen. Voor een reclameverbod is meer dan een atoomoorlog nodig, maar zou het zinvol zijn te onderzoeken of je de angst van de uitvoerende macht voor impopulaire maatregelen kunt verkleinen, bijvoorbeeld door de relatie tussen kiezer en uitvoerende macht minder direct te maken, het representatieve karakter van de democratie te versterken en de volksvertegenwoordiger met een beter apparaat uit te rusten, om zo de gemanipuleerde wil van de massa door een grotere kennis van zaken te filtreren?

Misschien zou dan tegelijk een eind kunnen komen aan de onzinnige ontwikkeling waardoor telkens de bereidheid van een bevolkingsgroep moet worden afgewacht voordat een maatregel kan worden genomen waarbij die groep is betrokken.

Maar ook in de levensvatbaarheid van zulke voorstellen tot wijziging van het democratische stelsel hoef ik mij niet te verdiepen om de reden die ik al aankondigde toen ik het had over een wijziging in de politieke programma's: de Nederlandse economie is zo verstrengeld met de wereldeconomie, kapitaalverplaatsing is zo gemakkelijk, dat een eenzijdige beslissing van Nederland om af te zien van ongerichte economische groei als hoofddoel van het beleid en over te gaan tot beperkende maatregelen, zou leiden tot de economische ineenstorting van dit land. En wachten op internationale overeenstemming betekent uitstel tot ook onze achterlijkste handelspartner ons stadium heeft bereikt. Dan is er voor mij al niets meer te redden.

Met wie zou mijn linkse partij met haar nieuwe ideologie trouwens internationaal contact moeten zoeken? Met het niet bestaande links in de Verenigde Staten?

De derde en laatste weg is: de bedreiging van het milieu gebruiken als hulpmiddel om de samenleving tot matiging te bewegen.

Ik vraag mij af of niet zelfs de wetenschap dat het leven van een volgende generatie bedreigd wordt daarvoor onvoldoende zou zijn. In elk geval zal men zich gemakkelijk verzoenen met het idee dat al het groen zou verdwijnen of dat men na de onvermijdelijke kernrampen en/of atoomoorlogen in wijde kringen rond hermetisch afgesloten etterbuilen als Tsjernobil zou moeten wonen. Ook waar het om lawaai en drukte gaat, zijn mensen blijkbaar heel resistent. 2400 Jaar geleden klaagde een Athener al over de drukte op de uitvalswegen. Zijn stad had toen zo'n honderd-, hooguit tweehonderdduizend inwoners.

Op hetzelfde grondgebied wonen nu meer dan drie miljoen mensen en men klaagt er nog steeds.

Ook in Nederland wordt de krankjoreme mobiliteit van de verkoper niet aangepakt, maar van de bevolking verwacht dat zij zich aanpast. Onlangs hebben onze bestuurders zich gebogen over de smogproblematiek in de randstad.

Het blijkt mee te vallen.

Onder de omstandigheden waaronder voorheen smogalarm werd geslagen, zal in de toekomst worden volstaan met ,,gedragsadviezen'', zoals het advies om overmatige inspanning in de buitenlucht te vermijden: een vroege voorloper van de luchtrantsoenering, die ik zelf niet meer hoop mee te maken.

Ik wens u veel succes toe met het behartigen van uw belangen, vechten voor het mijne lijkt mij onbegonnen werk.

Dit is de laatste aflevering van een serie waarin uit alle decennia van de afgelopen eeuw een voor dat decennium kenmerkend artikel is geplaatst.

Eerder verschenen dit jaar in deze serie: Het hoofdredactioneel commentaar van dagblad Het Vaderland bij het begin van de nieuwe eeuw op 1 januari 1901 (geplaatst 28 januari), F. Domela Nieuwenhuis over de spoorwegstaking van 1903 (25 februari), toespraak R. de Marees van Swinderen bij de opening van het Vredespaleis in 1913 (25 maart), Arthur Müller Lehning in 1928 over de christelijke moraal (24 april), Menno ter Braak in 1939 tegen het antisemitisme (27 mei), toespraak Arthur Seyss-Inquart uit 1940 in de Haagse Dierentuin (24 juni), H.M. van Randwijk in 1947 over de politionele acties (23 juli), het Bisschoppelijk Mandement van 1954 (26 augustus), Joke Kool-Smit in 1967 over het onbehagen bij de vrouw (30 september), Evert Werkman in 1983 over de krakersrellen van de jaren zeventig (28 oktober), B.V.A. Röling in 1981 over de kernbewapening (2 december).