Raad voor Cultuur

Hoewel de Raad voor Cultuur geen behoefte heeft de volgende aflevering over het Instituut Beeldcultuur te verzorgen, wil hij toch enkele zaken rechtzetten. In het artikel `Bewindsman, staak uw stedenstrijd' in NRC Handelsblad van 21 december, kwalificeert Harry van Wijnen de brief die de voorzitter van de Raad aan de staatssecretaris van Cultuur heeft geschreven als ,,niet meer dan een eenmansactie''.

Die constatering is feitelijk onjuist. De voorzitter heeft de brief opgesteld in samenwerking met de raadscommissie Beeldcultuur, geheel in overeenstemming met de bestaande procedures van de Raad. De voorzitter is gemachtigd wanneer de actualiteit daarom vraagt, direct te reageren, zonder de gehele raad te consulteren. Uiteraard wordt met dit mandaat terughoudend omgegaan. De constatering dat er zonder aanwijsbare noodzaak gereageerd zou zijn, is onjuist. Er was wel degelijk aanleiding voor onmiddellijk handelen. Het was de voorzitter bekend dat de staatssecretaris zich aan het beraden was over een reactie op het standpunt van het bestuur van het Nederlands Filmmuseum. Het Raadsadvies van 1 december week inhoudelijk niet af van eerder uitgebrachte adviezen over het Instituut Beeldcultuur en was bedoeld om te benadrukken dat naar het oordeel van de Raad vastgehouden zou moeten worden aan de uitgezette koers.

Uit het voorgaande trekt Van Wijnen vervolgens de conclusie dat de Raad verdeeld zou zijn over de keuze voor Rotterdam als vestigingsplaats. Dit is niet aan de orde.

Het is in zichzelf onjuist om een inhoudelijke conclusie te verbinden aan de hierboven beschreven werkwijze van de Raad.