Maak volgende eeuw die van de mensenrechten

Deze eeuw had er een moeten zijn van legitieme en succesvolle interventies. Maar dat is maar ten dele gelukt, stelt Adri Kemps. Niets kan garanderen dat interventie altijd gepast, tijdig en effectief is.

Een doodsbange man kijkt recht in de camera. Dan keert hij zich om en roept in de richting van het bos. Hij wenkt zijn zoon om tevoorschijn te komen. De man en zijn zoon worden in een grote groep mannen afgevoerd, om nooit meer terug te komen.

Het gebeurde in Srebrenica, juli 1995, en werd vastgelegd door een filmer van de Servische troepen. Wat begonnen was als een humanitaire interventie was uitgelopen op de grootste Europese massamoord sinds de Tweede Wereldoorlog. Dat was tekenend voor de schizofrenie van deze eeuw: de eeuw die de mensenrechten schreef en die ze tegelijkertijd afschreef als nooit tevoren.

Mensenrechten zijn aan het eind van onze eeuw uitgegroeid tot het meest aanvaarde beginsel dat de wereld kent – op juridisch, politiek en moreel gebied. Dat succes was vooral te danken aan de mensenrechtenbeweging, de groepen en individuen die in een lange geschiedenis hebben gestreden tegen slavernij, censuur, onverdraagzaamheid, onderdrukking en zo meer. De activisten hebben de mensenrechten gemaakt, niet de staten. Alle internationale regelgeving van de laatste decennia, te beginnen met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948, is er gekomen door de aanhoudende druk van niet-gouvernementele organisaties.

Maar noch de regelgeving noch de mensenrechtenbeweging konden verhinderen dat deze eeuw geterroriseerd werd als misschien nooit tevoren: in de holocaust en de Sovjetkampen, door legers en doodseskaders, met geavanceerde wapens en simpele martelmethoden. Ze konden niet verhinderen dat tegen het einde van de eeuw in Rwanda meer mensen werden vermoord in kortere tijd dan ooit eerder in de geschiedenis. Deze eeuw had er een moeten zijn van legitieme en succesvolle interventies. Maar dat is maar zeer ten dele gelukt.

Interventie is letterlijk: bemoeienis, ingrijpen. Interventie is overgaan tot een daad die niet automatisch tot je eigen sfeer van verantwoordelijkheid of bevoegdheid wordt gerekend. Het woord heeft een veel wijdere betekenis dan die van de grootschalige gewapende interventie. Humanitaire interventie omvat net zo goed veel eenvoudiger middelen: een opmerking van een diplomaat in de marge van een internationale vergadering, een brief die een regering vraagt op te houden met martelen, een internationale missie om gevangenissen te inspecteren.

Staten houden niet van interventies. Want die zijn lastig en kunnen gemakkelijk tegen hen gebruikt worden. Zelfs een diplomatieke opmerking kan al leiden tot verstoorde verhoudingen. De mensenrechtenbeweging daarentegen bestaat bij de gratie van interventies. Dat interveniëren begint misschien met die ene brief, en gaat verder langs een schaal van geleidelijkheid. Gewapend ingrijpen om een bedreigde bevolkingsgroep te ontzetten kan het laatste redmiddel zijn. De huiver van politici en velen met hen is begrijpelijk - vanuit een statelijk gezichtspunt. Maar een universeel besef van mensenrechten blijft zonder betekenis als de ene mens of natie een andere niet durft aan te spreken, en zo nodig ingrijpt.

De politici die zich daarvan afwenden missen de trein van de geschiedenis. Want er is wel degelijk internationale overeenstemming groeiende over de voorwaarden waaronder gewapend geïntervenieerd mag of moet worden. De eerste voorwaarde is dat een belangrijk netto–resultaat verwacht kan worden - gewapend ingrijpen moet beduidend meer mensenlevens redden dan erdoor verloren zouden kunnen gaan.

De tweede voorwaarde is dat een brede geleding van VN-lidstaten er steun aan geeft. Dat is niet hetzelfde als een goedkeuring van de Veiligheidsraad. Die raad is een lichaam dat ooit is ontstaan uit politiek opportunisme. Ze kan gewoon niet als morele autoriteit van de wereld gelden; in de VN-mensenrechtenverdragen wordt dan ook niet naar de Veiligheidsraad verwezen.

Ingrijpen is gerechtvaardigd als de meest `harde' mensenrechten bedreigd worden. Het gaat dan om de rechten die in internationale verdragen het sterkst en meest dwingend zijn vastgelegd, zoals vrijwaring van willekeurige moord en marteling. Een recht op humanitaire interventie staat niet in de VN-verdragen, maar is daaruit als beginsel wel af te leiden. Interventie, van welke aard dan ook, is het internationaalrechtelijk instrument tegen genocide, slavernij en andere misdaden tegen de menselijkheid.

Niets kan garanderen dat interventie altijd gepast, tijdig en effectief is. De wereldpolitiek speelt zich af in een chaos waar signalen niet met zekerheid te duiden zijn, en de uitkomst van handelen niet met zekerheid is te voorspellen. Het blijft altijd een zekere gok. Elke interventie is ook, om het in de woorden van Max Weber te zeggen, een zaak van tegelijkertijd de `ethiek van beginselen' en de `ethiek van de praktijk'. De beginselen moeten waarborgen dat normen niet worden geschonden. De ethiek van de praktijk is de afweging die politici moeten maken: is het mogelijk, is er voldoende draagvlak, hoeveel kost het, wat kunnen we voorspellen van de afloop?

De grote tragedie van Srebrenica, van Rwanda en van zoveel andere rampen van de laatste decennia, is geweest dat beide vormen van ethiek er teloorgingen. De beginselen van mensenrechten werden gesmoord in massamoorden. De politieke ethiek smoorde zichzelf. Over het niet-ingrijpen in Rwanda zijn talloze vruchteloze rapporten geschreven. Srebrenica is nu al viereneenhalf jaar het terrein van half opgehelderde verantwoordelijkheden en tweeslachtige beloften.

De geterroriseerde man en zijn zoon in Srebrenica zijn het schrikbeeld waarin de machteloosheid van de twintigste eeuw is samengevat. De enige hoop is dat de basis voor mensenrechten die in deze eeuw is gelegd en de lessen die uit de praktijk zijn geleerd, in de volgende eeuw te verwezenlijken blijken.

Interventie kan nooit een vanzelfsprekendheid worden. Maar dat niemand een hand uitstak om deze man, zijn zoon en zoveel anderen van een wisse dood te redden, is onvergeeflijker dan enige politieke praktijk kan verantwoorden.

Adri Kemps is directeur van de Nederlandse afdeling van Amnesty International.