KNVB moet meer zijn dan belangenbehartiger eredivisie

De belangen waar het bij betaald voetbal om gaat zijn de afgelopen jaren sterk gestegen. Echter niet de winstmaximalisatie maar het sportieve en maatschappelijke belang van voetbal zou voorop moeten staan. Dit vraagt echter om een machtige sportbond, de KNVB, menen Lex Borghans en Loek Groot.

Onlangs heeft onderzoeksbureau KPMG BEA in opdracht van de Eredivisie NV een advies uitgebracht over de kwestie van de uitzendrechten voor voetbalwedstrijden (NRC Handelsblad, 17 november). De conclusie luidt dat hoewel juridisch gezien de uitzendrechten toekomen aan de voetbalclubs, zij er verstandig aan doen deze rechten gezamenlijk te exploiteren. De voordelen van individuele exploitatie wegen in de ogen van de onderzoekers niet op tegen de economische voordelen van coördinatie, die ervoor zorgen dat de competitie voldoende spannend blijft en het uitzendschema voldoende beheerst wordt om zo de inkomsten te maximaliseren. Het lijkt daarmee dat KPMG BEA de Eredivisie NV aanbeveelt om zo subtiel mogelijk de clubs op één lijn te krijgen, waarbij een uitweg moet worden gezocht voor de wettelijke belemmeringen tegen coördinerend gedrag.

Wij delen deze kijk niet en zijn van oordeel dat op een mediamarkt niet winstmaximalisatie maar het sportieve en maatschappelijke belang van voetbal voorop zou moeten staan. Dit vraagt principieel om een machtige sportbond, de KNVB. Deze bond zou als hoeder van een cultureel erfgoed niet alleen de belangen van de clubs in de eredivisie moeten behartigen, maar ook van de vele amateurclubs, voetballende kinderen op straat en van iedereen die geïnteresseerd is in deze sport. Hiervoor zou de KNVB niet afhankelijk moeten zijn van de inschikkelijkheid van de (top)clubs in de eredivisie.

De belangen waar het bij het betaald voetbal om gaat zijn de afgelopen jaren sterk gestegen. In 1990 betaalde de NOS `slechts' 1,75 miljoen gulden, terwijl Sport 7 in 1996 maar liefst 140 miljoen per jaar voor de uitzendrechten van het voetbal over bleek te hebben. Deze spectaculaire waardestijging is een gevolg van de opkomst van satelliet-televisie en kabel-tv, waardoor het technisch mogelijk is geworden om voetbal economisch te exploiteren. Het ministerie van EZ ziet collectieve exploitatie als een kartel. De vraag is echter of het inderdaad het kartel-aspect is dat de marktwerking verstoort. De KNVB had immers altijd al de uitzendrechten in handen. Verder zou bij een kartel het gezamenlijk belang gebaat moeten zijn bij een beperkte hoeveelheid uitzendingen, terwijl de individuele clubs graag meer voetbal op de televisie zouden willen hebben. Hoewel waarschijnlijk ook de KNVB in 1996 dollartekens in de ogen had, bleek zij juist ook grote bekommernis te hebben om de brede toegankelijkheid van het voetbal. Verder hebben we ook niet de indruk dat topclubs er nadeel van ondervinden als clubs in de degradatiezone gelijktijdig op de televisie worden vertoond. Kennelijk is kartelvorming niet de kern van het probleem.

De marktverstoring bij het voetbal wordt daarentegen veroorzaakt door het belang van de relatieve positie die een topclub inneemt in de competitie. De voornaamste reden waarom topclubs zo aantrekkelijk worden gevonden is niet zozeer dat ze goed spelen, maar dat ze beter spelen dan de andere clubs. Het gaat hierbij dus niet in de eerste plaats om de absolute waardering voor deze prestatie, maar om de aantrekkingskracht van `de beste'. Hierdoor kunnen topclubs zich het leeuwendeel van de marktwaarde van het voetbal toe-eigenen, omdat op de mediamarkt wedstrijden tussen de overige clubs nooit kunnen wedijveren met de wedstrijden waarbij een van de topclubs betrokken zijn. Echter, de marktwaarde wordt vrijwel onafhankelijk van deze of gene club bepaald door de culturele waarde van het voetbal. Deze waarde van voetbal is ontstaan door een lange voetbaltraditie waaraan voetbal op straat en amateurvoetbal net zo goed hebben bijgedragen als het profvoetbal. Via betaaltelevisie of reclame betalen we wat we tot voor kort vrijwel gratis kregen.

De toekenning van de uitzendrechten aan de thuisspelende clubs leidt tot een onevenwichtige verdeling van de inkomsten. Dit is nu reeds het geval bij shirt- en stadionreclame. Het is echter ook inefficiënt. De link tussen verdeling en efficiëntie ontstaat doordat de prestaties beïnvloed worden door investeringen van een voetbalclub. Hoewel de investeringen van de ene club hun kans op het kampioenschap doen toenemen, neemt daarmee de kans voor de rivaliserende clubs af. Dit leidt tot overinvesteringen bij de topclubs en onderinvesteringen bij de overige verenigingen, en verstoort daarmee de sportieve balans in de competitie. Een machtige voetbalbond kan een dergelijke verstoring verminderen en ervoor zorgen dat ook de clubs van tweede garnituur, de opleiding van jonge voetballers en het amateurvoetbal een deel van de marktwaarde van het voetbal krijgen. De verdeelsleutel dient hierbij in de eerste plaats de sportieve betekenis van voetbal te bevorderen. Dit kan overigens samengaan met maximalisering van de marktwaarde van voetbal als geheel. Een spannende competitie is voor het publiek interessanter.

De spanning in de voetbalwereld tussen de KNVB en de topclubs staat overigens niet op zichzelf. De laatste jaren hebben we kennis kunnen maken met vergelijkbare conflicten bij het Amerikaanse boksen, basketbal en honkbal en het conflict tussen Rintje Ritsma en de KNSB. De hierboven beschreven belangentegenstelling komt goed tot uiting in de investituurstrijd binnen het schaken. Kasparov, de feitelijke wereldkampioen en Short, de winnaar van de FIDE kandidaten-matches, hadden indertijd een eigen organisatie opgericht bedoeld om de hoge afdrachten aan de FIDE te omzeilen. De FIDE claimt 25 procent van de opbrengst van toptoernooien, haar voornaamste bron van inkomsten. Dit geld is nodig om wereldwijd op verschillende niveaus toernooien en competities te organiseren. De PCA van Kasparov en Short is enkel bedoeld voor de professionals. De reactie van de FIDE op het onttrekken van de meest prestigieuze wedstrijd aan haar jurisdictie was dat de nummers drie en vier van de wereld (Karpov en Timman) werden uitgenodigd te spelen om de FIDE-wereldtitel. Het is niet verwonderlijk dat de FIDE grote moeite had om sponsors voor deze wedstrijd te vinden, want iedereen wist dat hier een fake-kampioenschap werd geënsceneerd terwijl elders de echte kampioenen aan het werk waren. Het is echter evident dat de match tussen Timman en Karpov niet onaantrekkelijk was vanwege het slechte spel van beide spelers. Als Kasparov in zijn jeugd besloten had om dammer te worden en Short in de kandidatenmatch van Timman had verloren, dan had deze wedstrijd in het middelpunt van de belangstelling gestaan.

Dit voorbeeld laat overduidelijk zien dat de kampioensrol belangstelling naar zich toetrekt die in principe voor de betreffende sport als zodanig bestaat. Hoewel de sympathie van de media meestal uitgaat naar de individuele sporter of club, zijn de kaarten van de bond sterker dan men geneigd is te denken. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat in de Verenigde Staten, het voorland van de commercialisering van de sport, maar ook een land met strenge anti-kartel-regels, reeds vanaf 1961 sportbonden collectief tv-rechten uit mogen venten. De Amerikaanse sportbonden hebben ook allerlei maatregelen genomen om de sportieve waarde van competities te bevorderen. Het is te betreuren dat deze sportbonden, net als de Eredivisie NV, commerciële organisaties zijn. Men zou niet de competitie, maar de betreffende sport, als één cultureel product moeten zien, waarbij de nadelen van monopolie worden ondervangen door de concurrentie met andere sporten en door de maatschappelijke doelstelling van de bond als hoeder van dit culturele erfgoed. De KNVB is primair de belangenbehartiger van het voetbal in het algemeen, of dit nu in de ArenA is of op straat.

Lex Borghans en Loek Groot zijn respectievelijk verbonden aan de Universiteit Maastricht en de UvA.