Hoofdpijn voor statistici

Leveren computers en netwerken een extra bijdrage aan de economische groei? Meten is weten. Maar dan moet je wel weten wat en hoe je moet meten. De vraag wat het toenemend gebruik van informatietechnologie betekent voor het bruto nationaal product bezorgt economen hoofdbrekens. Sommige verschijnselen dreigen aan de greep van de statistici te ontglippen.

Economen kunnen met grootse theorieën hun netten nog zo wijd uitgooien, de feiten van de nieuwe economie glippen soms door de mazen heen. Neem de boekhandel op Internet. Het feit dat boeken worden verkocht via Amazon.com in plaats van Bruna op de hoek heeft op zichzelf geen invloed op de omvang van de economie. Een boek is een boek. De soms verrassende gevolgen van de elektronische handel zijn in conventionele economische termen lastig te vangen. De (dreigende) concurrentie van winkels op Internet heeft niet in alle sectoren een uitdunning van de detailhandel tot gevolg. Sommige aanbieders besluiten juist hun aanwezigheid in glas, beton of bakstenen uit te breiden.

Sony bouwt op diverse plekken in de wereld amusementscentra waar de klant elektronica of videospelletjes kan testen en uitproberen op een manier die via Internet niet mogelijk is. Hoe test je immers superieure boxen via een telefoonverbinding thuis? Of de nieuwste snufjes op een spelletjescomputer?

De Britse onderneming Waterstone heeft geïnvesteerd in een enorme Londense boekhandel waar klanten zich met een kop koffie in een hoekje kunnen terugtrekken om zich in een roman te verdiepen. Of zich door een professional kunnen laten voorlezen. Maar wat gebeurt er met tienduizend boeken die nu in een conventionele boekhandel over de toonbank gaan? Volgend jaar wordt daarvan de helft misschien verkocht via Internet. De andere vijfduizend verkopen nieuwe boekhandels als Waterstone.

Met deze verschuiving blijft de boekenverkoop die statistici verwerken in het bruto binnenlands product ongewijzigd. Dat er economisch niets is gebeurd valt echter moeilijk vol te houden.

De vraag wat toenemend gebruik van informatietechnologie en netwerken betekent voor de economische groei bezorgt economen van de EZ-directie voor Algemene Economische Politiek hoofdbrekens. Als een groei-acceleratie ondubbelzinnig is vast te stellen blijft het de vraag of deze aan het gebruik van netwerken is toe te schrijven. Anderzijds zijn er verschijnselen die dreigen te ontglippen aan het bruto nationaal product, het totaal aan goederen en diensten in onze economie.

Het elektronisch zakendoen verlaagt de zogeheten transactiekosten die gemaakt worden om informatie op te sporen over een product of het te distribueren. Maar het is niet vanzelfsprekend dat het bruto nationaal product daardoor groeit.

Als bedrijven met behulp van computers onderlinge leveringen beter op elkaar afstemmen kunnen zij voorraden reduceren. Dat op zichzelf zorgt voor afname van de vraag naar bedrijfsruimte en dientengevolge krimp van de economie.

Iets vergelijkbaars geldt voor een vakantieganger die zijn reis niet bij een bureau boekt, maar in zijn vrije tijd via Internet op zoek gaat. En ook de merites van een ziekenhuis dat zijn klanten binnen twee in plaats van drie dagen naar huis stuurt zijn economisch lastig uit te drukken.

De combinatie van informatietechnologie en marktwerking kan al helemaal vreemde gevolgen hebben. Neem accountantskantoren die een efficiëntere manier van werken via lagere prijzen doorgeven aan de klant. Concurrentie op een geliberaliseerde markt dwingt hen daartoe. Ook deze voor klanten gunstige economische ontwikkeling kan resulteren in een lager bruto nationaal product als als statistici niet goed weten hoe ze accountantsdiensten moeten tellen.

Vaak kan de theoreticus twee kanten op. Als de boodschappen voortaan via Internet worden besteld kan een busje van Albert Heijn die met een slim uitgestippelde route bij tien mensen thuis bezorgen. Dat levert nieuwe werkgelegenheid voor de chauffeurs op en vergt een investering in het busje. Maar de benzine voor de boodschappenauto van de klanten wordt niet meer verkocht. Het voordeel van amusant winkelbezoek, bespaarde zoektijd of een kortstondiger ziekbed is niet eenvoudig uit te drukken in de totale waarde van de goederen en diensten in onze economie.

Economen willen niet alleen weten hoeveel we maken, maar ook hoeveel werk het kost om dat te doen. Nieuwe technologieën zijn economisch interessant als ze de productiviteit verhogen.

Niemand kan onbeperkt werken. Geopperd is dat computers onder meer een verhoogde productie mogelijk maken doordat werknemers langer zijn gaan werken. 's Avonds thuis op de pc maakt hij een opdracht af die anders misschien tot de volgende dag was blijven liggen. Met de zaktelefoon verandert de vrije tijd tijdens een rit naar huis in een uurtje vergaderen. Daar staat tegenover dat de werknemer in de baas zijn tijd via Internet op zoek kan naar verstrooiing.

,,People have lunch but it is no free lunch'', zei de onlangs overleden Amerikaanse econoom Zvi Griliches. Hij bedoelde daarmee dat zelfs een hoge arbeidsproductiviteit niet zaligmakend is. Om de computer te betalen die nu op het bureau van vele werknemers staat hebben mensen zich in het verleden consumptie ontzegd. Het kapitaal voor de investering in een (productieve) computer had bij de aanschaf twee jaar geleden ook gebruikt kunnen worden voor een reis of diner.

Wat verschijnt en wat verdwijnt in de productiestatistieken van economen? De discussie is niet nieuw. De uitvinding van elektriciteit bracht onder meer de wasmachine. Dat kostte traditionele wasserijen de kop en ging gepaard met de overheveling van meetbare economische activiteit naar de beslotenheid van de huiskamer. De overstap van wasbord naar wasmachine zorgde bij de producenten van de machines juist wel voor extra economische groei.

Evengoed als de surfende vakantieganger frustreerde de thuiswassende machinegebruiker de economische groei. Uiteindelijk zal alleen voortgaande explosieve groei sceptici over de nieuwe economie over de streep kunnen trekken. Zoals dat in het verleden met elektriciteit is gebeurd. Maar zelfs als de groei verder aantrekt zijn er daarvoor tal van alternatieve verklaringen zoals de gedaalde olieprijs, de lage inflatie of liberaliseringen.

Eén aspect van de huidige economische discussie verschilt van het debat dat over zoveel andere economische vindingen is gevoerd. De productiviteitsverbeteringen van spoorwegen en stoommachines ebden na verloop van tijd weer weg. De economische groei kwam tijdelijk op een hoger plan en vlakte daarna af. Nu claimen sommige economen dat de vloedgolf van de informatietechnologie zal aanhouden. Wie met computers sneller en efficiënter nieuwe informatie verwerkt kan sneller innoveren. Daarmee zou de productiviteitsgroei blijvend op een hoger plan kunnen worden gebracht. Utopie of niet, ook deze claim is niet geheel nieuw. De uitvinding van laboratoria voor onderzoek en ontwikkeling werd een eeuw geleden eenzelfde magie toegedicht.