Het lyrisch verlangen van Tsjechië

De bezoeker aan Praag 1900 in het Van Goghmuseum stapt binnen in een schemerig verlichte expositie van angstvisoenen, liefdessmart en een koortsachtig verlangen naar het Jenseits. Deze kunst is zó extatisch, overdadig en intens emotioneel dat het geheel een vervreemdend effect heeft.

Ruim 100 schilderijen en sculpturen en 200 voorwerpen van toegepaste kunst, zoals sieraden, boekillustraties, meubelen en voorwerpen van glas en keramiek, zijn hier bijeengebracht. Het begint bij de salonschilderkunst van Václav Broik, met grote theatrale, historische doeken, en eindigt met schilderkunstige experimenten onder de invloed van de Noorse schilder Edvard Munch, die in 1905 in Praag zijn werk exposeerde.

Er zijn oppervlakkige stilistische overeenkomsten aan te wijzen met de West-Europese kunstgeschiedenis uit de tweede helft van de negentiende eeuw, zoals met symbolisme, impressionisme en art nouveau: ook de Tsjechen ontworstelden zich aan de strenge regels van het academisme en zochten naar een nieuwe beeldende taal. Maar wat betreft inhoud en intentie staat het werk van de Tsjechische schilders en beeldhouwers ver af van dat van hun Franse en Engelse kunstbroeders. Wat zij bijvoorbeeld `lyrisch impressionisme' noemden blijkt heel weinig te maken te hebben met het Franse impressionisme. Impressionisme is de kunst van het oog, van de directe zintuiglijke waarneming. Maar het oog van de Tsjechische kunstenaar is naar binnen gericht; de omringende wereld is niet het eigenlijke object van zijn aandacht, maar dient slechts als metafoor voor een innerlijke gemoedstoestand.

Zo schilderde Jan Preisler in 1900 een drieluik getiteld Lente, waarvan in de catalogus vermeld wordt dat de losse werkwijze beïnvloed is door het impressionisme. Het middendeel toont een heuvelig landschap waar de sneeuw pas gesmolten is, het gras is nog geelgroen. Op de voorgrond zit een jongen in de eerste lentezon op een bankje, zijn jas heeft hij naast zich neergelegd. Hij leunt met zijn wang tegen een berkenstam en wordt, te oordelen naar de blik in zijn ogen en zijn gespannen pose, verteerd door liefdesverlangen. Aan de andere kant van de boom zien we in een visioen de vrouw naar wie hij verlangt, zij is halfnaakt en heeft, net als Flora, bloemen in haar schoot; op het linker- en rechterpaneel is zij opnieuw afgebeeld, zittend in het groene landschap. Het prille lentelandschap staat symbool voor de ontluikende seksualiteit van de jongen.

Niet dit pseudo-impressionisme is Preislers beste werk, maar een serie poëtisch-symbolistische schilderijen rond het thema van Het Zwarte Meer, waarin hij komt tot mooi uitgebalanceerde composities van donker en licht. Ze behoren tot het beste wat er in het Van Gogh is te zien, samen met een tweetal schilderijen van František Kupka, een van de weinige Tsjechische beeldende kunstenaars die internationale bekendheid heeft verworven.

Praag maakte rond 1900 deel uit van de Oostenrijks-Habsburgse monarchie en stond, als hoofdstad van Bohemen, in de schaduw van Wenen. De expositie laat zien hoe kunstenaars op zoek waren naar een eigen Tsjechische identiteit. Broik bijvoorbeeld schilderde keizer Ferdinand I terwijl hij in de Koninklijke Tuin, nabij de Praagse burcht, bijzondere privileges toekent aan Tsjechische kunstenaars. En sieraadontwerpers verwerkten in prachtige Jugendstil-juwelen bij voorkeur donkerrode Boheemse granaten als symbool van patriottisme. Maar andere kunstenaars, van een jongere generatie, verzetten zich juist tegen wat zij beschouwden als een benauwend nationalisme, en zochten aansluiting bij de internationale moderne kunst. De Praagse toegepaste kunst raakte zodoende meer en meer beïnvloed door de Parijse Art Nouveau en, iets later, de Wiener Werkstätte.

Voor de Tsjechische beeldhouwers was Rodin het grote voorbeeld. Zij organiseerden in 1902 een expositie van zijn werk. Zij ontvingen hem als een held: Rodin was voor hen het grote onbegrepen genie dat zich ontworsteld had aan een kleinburgerlijk milieu. De grillige bronzen sculpturen van Bohumil Kafka en Josef Maratka, meest vrouwelijke naakten in getordeerde houdingen, tonen de invloed van de grote Franse meester. Jammer genoeg zijn deze beelden in het Van Goghmuseum zó dramatisch, met felle spotlights, belicht dat het vrijwel onmogelijk is zicht te krijgen op de eventuele plastische kwaliteiten ervan.

De beeldhouwer František Bilek onderscheidt zich in dit geheel doordat hij een duidelijk vormgevoel heeft, zoals zijn grote symbolistische houtskooltekeningen laten zien. Van hem worden enkele meer dan mansgrote houten beelden getoond, voorstudies voor monumentale opdrachten. De Tsjechische reformator en martelaar Jan Hus – de Paus heeft vorige week zijn spijt betuigd voor het feit dat Hus als ketter op de brandstapel is omgebracht – werd door Bilek verbeeld als een door de bliksem getroffen boom die `eeuwen heeft gebrand'.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het merendeel van de expositie bestaat uit pathetische, bombastische kunst. De Tsjechische kunst komt voort uit een heel andere belevingswereld dan de onze – de extase is helaas voor ons niet na te voelen.

Tentoonstelling: Praag 1900: poëzie en extase. Van Goghmuseum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. T/m 26 maart. Dagelijks 10-18 uur, 1 januari gesloten. Catalogus, 228 blz., ƒ65,-.