Goden van nu

U kent waarschijnlijk het kwartetspel, een aardig spel dat op den duur echter geen intellectuele bevrediging kan geven. Een hogere vorm van dit spel is het blindkwartetten. Het heeft precies dezelfde regels, maar het wordt zonder echte kaarten gespeeld. De kwartetkaarten worden tijdens het spel door de deelnemers verzonnen.

Iemand begint en zegt tegen een van zijn medespelers bijvoorbeeld: ,,Mag ik van jou van de dictators generaal Franco?'' Hij legt hiermee vast dat er een kwartet `dictators' in het spel is, dat hij niet de kaart `Franco' heeft, maar dat die kaart wel bestaat. Ook legt hij vast dat hij zelf een andere dictatorkaart heeft, anders zou hij niet om Franco mogen vragen. Als hem later in het spel om Mao of Hitler wordt gevraagd, mag hij nog weigeren, hij hoeft die kaarten niet te hebben. Maar als hem vervolgens ook nog om Stalin wordt gevraagd, moet hij die kaart wel geven, want met zijn eerste zet had hij kenbaar gemaakt dat hij minstens een van de vier dictatorkaarten had.

De intellectuele superioriteit van deze kwartetvorm is duidelijk. Het toeval is uitgebannen, want niemand heeft aan het begin betere kaarten dan een ander. Ook duidelijk is het dat het spel tot vreselijke ruzies kan leiden omdat het zo moeilijk is dat niemand meer precies weet welke kaarten er al geïntroduceerd zijn. Er zou eigenlijk een scheidsrechter bij moeten zijn die alles onthoudt.

Blindkwartetten werd vroeger vaak gespeeld op de Amsterdamse sociëteit de Kring en het verloop van een partijtje is in 1968 beschreven in het boek tjeempie! of liesje in luiletterland door een schrijver die zich voor die gelegenheid remko kampurt noemde. Hij verplaatste de handeling naar de wachtkamer van `de best gekapte schrijver van Nederland', in wie de lezer Harry Mulisch herkende. De spelers waren twee van diens vrienden, een roodharige goudgebrilde componist en een lange dikke papzak, in wie de lezer Peter Schat en Hein Donner herkende:

,,`Hitler', zei deze laatste nadrukkulluk, daarbij zijn hoofd heftig op en neer schuddend.

`Göbbels?' opperde de ander voorzichtig.

`Göring!' gaf de papzak triomfantulluk lik op stuk.

Even leek de roodharige uit het veld geslagen, maar hij hernam zich al spoedig.

`Streicher!' riep hij op krachtige toon.''

Zo gaat het nog een tijdje door. Opmerkelijk aan deze partij is dat ieder verband met het oorspronkelijke kaartspel lijkt verdwenen. Het is een intellectuele gedachtewisseling geworden, niet van hoog gehalte overigens. Het oorspronkelijke competitieve karakter blijft echter gehandhaafd. Later in de partij, nadat roodhaar de krachtzet `Dd6-d4' heeft gespeeld, onmiddellijk gevolgd door `Von Paulus', geeft de papzak op.

Noem mij godsdienstgek als u wilt, maar in deze drie fases van het kwartetspel wordt weerspiegeld hoe het christendom voortkwam uit het veelgodendom en vervolgens ontaardde tot filosofie.

Eerst waren er de zichtbare goden, de bliksem, de zon, de zee en vele anderen. In het blindkwartetten is de zichtbaarheid verdwenen, alles is verinnerlijkt en vergeestelijkt. Er komt behoefte aan een alwetende scheidsrechter. Zichtbaar aanwezig is die niet, maar zijn besluiten bepalen wel het spelverloop. Er komt veel ruzie over de juiste uitleg van de besluiten van de imaginaire scheidsrechter.

Ten slotte, in de fase waarin roodhaar en papzak hun partij spelen, is de gedachte aan de oorspronkelijke kaarten verdwenen en zijn alleen de woorden van het spel overgebleven. De goden zijn eerst onzichtbaar gemaakt en daarna ging God dood. Religie is verworden tot een filosofisch debat.

Nu iets heel anders. In het boek Het waterrad van Ribbe van Ernst Timmer wordt een vergelijkbaar spel beschreven, het droogtennissen. Ook dit spel wordt zonder concrete attributen gespeeld.

Iemand serveert, maar hij heeft geen bal en geen racket, er is geen net en er zijn geen lijnen. De speler maakt alleen de beweging van het serveren. Zijn tegenstander ziet aan die beweging waar de imaginaire bal terecht zal komen, hij rent er naar toe en als hij op tijd is slaat hij de bal terug. Verder gaat alles zoals in gewoon tennis.

Ook dit spel is moeilijker dan het oorspronkelijke tennis. Het is zelfs zo moeilijk dat het wedstrijdelement verloren moet gaan. Als het een wedstrijd bleef, zou er nooit overeenkomst kunnen worden bereikt over de besluiten van de imaginaire scheidsrechter. Was de bal net uit of nog net op de lijn? Dat is een zo subtiel verschil dat het niet uit valt te maken als er geen bal is en geen lijn, dus het doet er ook niet toe. De scheidsrechter is er niet, de spelers wedijveren niet, maar spelen in harmonie samen. Zij weten dat het niet uit valt te maken wie wint of verliest en dat er daarom ook geen winnaar, verliezer of scheidsrechter kan zijn.

Ook in dit spel zal de fase optreden waarin de gedachte aan bal, racket, net en lijnen, de oorspronkelijke inhoud van het spel, verloren gaat. Maar anders dan bij het blindkwartetten blijft in deze fase niet het filosofisch debat over, maar de dans. Twee spelers reageren op elkaars bewegingen. Ruzie over de juiste toepassing van de regels komt in dit spel zelden voor.

Het droogtennis verbeeldt een oosterse religie die nooit een dogmatische theologie heeft gekend, geen alwetende scheidsrechter nodig heeft en ten slotte overgaat in louter ritueel, de dans. Af en toe klinken nog woorden; game, set en match. De woorden vormen een gemompeld klankgedicht dat geen betekenis heeft en ook niet hoeft te hebben.

In zijn boek De toekomst der religie voorspelde Simon Vestdijk dat het christendom zou overgaan in een soort Westers boeddhisme waarin de theologische leerstellingen hun betekenis zouden verliezen, maar het ritueel levend zou blijven. In onze terminologie: blindkwartetten wordt droogtennis.

Van de wenselijkheid van deze verandering hoop ik u met het voorgaande overtuigd te hebben, en in de praktijk ziet het er inderdaad naar uit dat Vestdijk gelijk zal krijgen.