Eerst geloven, dan zien

En toen was er plotseling de Nieuwe Economie. Een begrip waarmee de aanhangers economische voorspoed en technologische revolutie aan elkaar koppelen. Maar bestaat het fenomeen ook? Dat er een groeiend geloof is lijkt vooralsnog geen kwestie van weten, maar van willen.

Nieuw! Wasmiddelenfabrikanten hebben het woord na jaren van grootscheeps misbruik al lang laten vallen wegens gebrek aan wervende kracht. Maar het bijvoegelijke naamwoord is nu bezig aan een opmerkelijke come-back. Met de Nieuwe Economie gaat de wereld het volgende millennium in.

Maar wat ís die Nieuwe Economie nu eigenlijk? De explosie aan toepassingen van in de laatste twee decennia gedane uitvindingen is voor iedereen waar te nemen: computers praten met elkaar, zijn krachtiger en steeds meer persoonsgebonden. Het Internet legt een volledig nieuwe infrastructuur over de wereld. Draadloze communicatie verovert stormenderhand de markt.

Dat kan grote gevolgen hebben. Locatie doet niet langer heel erg ter zake, informatie is – ergens tussen een goed en een dienst in – de handelswaar van de toekomst. Het kopiëren van informatie is kosteloos en tijdloos. Transacties worden direct, goedkoop en wereldwijd. Het verschil tussen thuis en werk vervaagt. Bedrijven worden georganiseerde netwerken van losse bedrijfsonderdelen, die niet langer in eigendom hoeven te zijn. Mensen worden kleine bedrijfjes. De wet van de afnemende meer opbrengst geldt niet meer als de kosten afnemen en de markt voor de eerste toetreder grenzeloos en eindeloos is. Wie het eerst is, wint alles.

Meer, sneller, beter, goedkoper. Anders. Alles kán straks in de Nieuwe Economie. Maar gebeurt het ook? Verandert de economie er zelf door en breekt de nieuwe periode van voorspoed daadwerkelijk door?

Dat is een ander verhaal. Wat de Nieuwe Economie nu precies is, is eigenlijk ongewis. In plaats dat zich een nieuw fenomeen voordoet, waar de huidige hausse aan publicaties, workshops en congressen zich op stort ter lering en uitleg, gaat het ditmaal andersom. Enkel het woord is er nog, en het bijbehorende, opwindende gevoel. De publicaties, workshops en congressen gaan er over bij het woord de betekenis te zoeken. En hoe meer mensen zich er gaandeweg mee zijn gaan bemoeien hoe wijder en onoverzichtelijker de Nieuwe Economie wordt. Kijk naar het Poldermodel: dat was loonmatiging op basis van openlijk erkend duurzaam wederzijds voordeel van werkgevers en werknemers. Nu valt onder het Poldermodel zo'n beetje de gehele vergader- en consensuscultuur in Nederland – die twintig jaar geleden nog negatief bekend stond onder de noemer Dutch Disease.

Het gevoel dat er iets nieuws, iets anders, in de wereld aan de hand is dan normaal komt door de samenloop van een aantal ontwikkelingen. Sommige zijn niet nieuw, andere wel. De kakafonie die rond de Nieuwe Economie is ontstaan, roept om een reductionistische aanpak: wat is de Nieuwe Economie in ieder geval niet?

Het idee dat er een nieuwe economie is, vindt zijn oorsprong in de Verenigde Staten van de jaren negentig. Met de Amerikaanse economie is iets ongebruikelijks aan de hand. Na acht jaar van onafgebroken economische groei, die ook nog eens steeds harder gaat, blijft de inflatie binnen de perken. Bij een werkloosheid die inmiddels tot 4 procent is gedaald, blijft de stijging van de arbeidskosten zeer bescheiden. Die combinatie van hoge groei en lage inflatie wordt toegeschreven aan een stijging van de arbeidsproductiviteit. En de stijging van de arbeidsproductiviteit valt weer samen met de razendsnelle veranderingen in de informatie- en communicatietechnologie die zich op dit moment voordoen. De vergezichten van een wired world waarin de maatschappij grondig verandert, vallen samenmet een ongewoon gunstig gedrag van de economie.

De kracht van de Engelstalige media en cultuur lijkt er voor te zorgen dat dit beeld nu ook buiten de VS ingang heeft gevonden. Ten onrechte. De jaren negentig zijn voor Japan dramatisch slecht geweest, voor Europa mager. Azië maakte een zware crisis door, in Oost-Europa gaat het herstel na het communisme traag en chaotisch. En de rest van de wereld? Tien jaar geleden, zo concludeerde de Wereldbank begin deze maand, waren er wereldwijd 1,2 miljard mensen die het moesten doen met een inkomen van minder dan een dollar per dag. In 1999 zijn het er nog evenveel.

Als Nederland gemakshalve tot de Angelsaksische cultuur wordt gerekend (hetgeen steeds meer gerechtvaardigd is), voltrekt het Economische Wonder zich tot nu toe vrijwel uitsluitend in de Engelssprekende Westerse landen.

Wat hebben de Westerse industrielanden wél gemeen? Dat is ten eerste het succes dat de afgelopen vijftien jaar is geboekt bij het bevechten van inflatie en overheidsschulden – in Europa mede door de disciplinerende werking van de muntunie. De rampzalige tijd van de jaren zeventig, waarin een tweetal oliecrises die de inflatie al ver opstuwden per abuis werd bestreden met grote overheidsinmenging en een Keynesiaans stimuleringsbeleid, lijkt in de jaren negentig eindelijk achter de rug.

Het herstelproces vergde hoge rentes begin jaren tachtig, voortdurende bezuinigingsoperaties van overheden, een zeer matige loonstijging en een weer terugtredende staat. En een bijbehorend gebrek aan welbevinden bij de Westerse burger. Het idee dat de pijn achter de rug is, is goed voor de moraal – hoewel Duitsland laat zien dat niet elk Westers land even ver gevorderd is.

De tweede gemeenschappelijke factor is het vrijmaken van goederen- en dienstenmarkten voor grotere nationale en internationale concurrentie. Die maakt dat de macht om de prijzen te bepalen aan de producenten van goederen en diensten ontvalt. Het is de consument, om wiens gunsten er harder wordt gevochten, die de prijsbepalende factor is. Het resultaat is dat de inflatie veel lager blijft dan verwacht. Ook hier zijn er internationale verschillen in tempo. Landen die eerder zijn begonnen met het vrijmaken van goederen- en dienstenmarkten, zoals de VS, Groot-Brittannië en tot opzekere hoogte ook Nederland, plukken er eerder de vruchten van.

Het vooruitzicht van een blijvende neerwaartse druk op de inflatie zou er voor kunnen zorgen dat de economische groei een stuk hoger kan worden zonder dat de inflatie uit de hand loopt en er door beleidmakers hard op de rem hoeft te worden getrapt. De snelheidslimiet van de economie is verhoogd. Het verloop van de conjunctuur kan er ook milder van worden – geen al te diepe recessies meer.

Wat de Westerse economieën ook gemeenschappelijk hebben is hun bevolkingssamenstelling. Overal is de talrijke naoorlogse generatie van baby-boomers zich gaan voorbereiden op de kosten van de pensionering. De vergrijzing werpt zijn schaduw vooruit in een massale toestroom van kapitaal, via individuele beleggingen, beleggingsfondsen of pensioenfondsen naar de effectenbeurzen.

Dat voert naar het vierde, gemeenschappelijke kenmerk, dat doorslaggevend is voor de populariteit van de nieuwe economie. Overal zijn de beurskoersen huizenhoog gestegen. Als de conjunctuur milder wordt, dan zit er minder risico in de toekomstige ontwikkeling van de bedrijfswinsten, en zijn beleggers bereid die toekomstige winsten hoger te verdisconteren in de prijs van een aandeel van een onderneming. Als die toekomstige winst dan ook nog met een duurzaam lagere rentevoet hoeft te worden verrekend, dan kan de koers nog verder omhoog.

Tel daar de massale toestroom van geld naar de beurzen bij op, en het resultaat is de ongekende koersstijging die aandelen de afgelopen jaren hebben doorgemaakt. In de VS zijn de koersen in de jaren negentig met 359 procent gestegen, in Nederland met 324 procent, maar ook in Frankrijk en Duitsland zijn de beurzen, met 210 en 179 procent enorm omhoog gegaan. Wereldwijd is de totale waarde van alle genoteerde ondernemingen met een slordige 21.000 miljard dollar toegenomen sinds 1990. Het hoeft weinig verbazing te wekken dat de papieren rijkdom uit zulke forse koerswinsten de consumptie flink heeft opgeschroefd – het zogenoemde vermogenseffect, dat het sterkst is in landen waarin het particuliere aandelenbezit het hoogst is. Sinds vorig jaar geven Amerikaanse gezinnen, die op flinke papieren winsten kunnen bogen, meer geld uit dan ze met arbeid verdienen. Via de enorme impuls van de consumptie heeft de Amerikaanse economie fors extra kunnen groeien.

Het bovenstaande heeft nog niets met nieuwe technologie te maken – zij het dat Internet-, computer- en telecombedrijven recentelijk tot de grootste stijgers op de beurs behoren. Alles wat er tot nu toe is gebeurd is samen te vatten als een restauratie van oude economische waarden. Terug naar vóór de jaren zeventig, waar het de lage inflatie, lage rentevoeten en de overheidsfinanciën betreft. Terug naar vóór 1914 waar het internationale bewegingsvrijheid van handel en investeringen betreft. Enkel de vergrijzing is écht nieuw.

Waarom dan toch het tijdperk van de Nieuwe Technologie uitgeroepen tot de Nieuwe Economie? Dat heeft te maken met de theorievorming rond de invloed van innovatiegolven op de economie. De Russische econoom Kondratieff onderscheidde al in de jaren twintig een `lange golf'-beweging in de economie met een cyclus van rond de tachtig jaar, die naderhand is teruggevoerd op het ontstaan van nieuwe technologieclusters. Twintig jaar later was het de Oostenrijker Schumpeter die innovatie de economische betekenis gaf die het nu nog steeds heeft. Afgezien van de nieuwe markten die met elke explosie van innovaties worden geopend, verandert ook het productieproces. Het grote heil van de revolutie van nu wordt dan ook gezocht in de stijging van de arbeidsproductiviteit – de uiteindelijke motor van de welvaart. Inkomens kunnen omhoog als er zoveel productiever wordt gewerkt dat de kosten van de productie zelf niet stijgen. In de Verenigde Staten zijn nu tekenen te zien van een productiviteitsstijging in de jaren negentig, die alom worden beschouwd als een bewijs voor het vruchtbare huwelijk tussen de technologische revolutie en een duurzaam hogere economische groei – de Nieuwe Economie.

Toch blijft het wringen met de Nieuwe Economie. Dat de inflatie in de Verenigde Staten laag is gebleven heeft erg veel te maken met het feit dat de wereldwijde conjunctuur in de jaren negentig flink in de war was. De nasleep van de vraagexplosie na de Duitse eenwording zorgde er eerst voor dat de Europese en de Amerikaanse conjunctuur niet meer synchroon liepen. Japan verkeerde het gehele decennium in een staat van economische lethargie. De Azië-crisis kwam daar twee jaar geleden overheen. Het resultaat van dit alles: in de jaren negentig zijn alle belangrijke landen niet gelijktijdig in hoogconjunctuur geweest, er heeft zich geen moment voorgedaan waarop er een grote gemeenschappelijke vraag was naar grondstoffen, goederen en kapitaal.

Dat is een even valide reden waarom de inflatie zo laag heeft kunnen blijven in de jaren negentig. Komend jaar komt de werkelijke test: voor het eerst mag dan een hoge wereldwijde groei worden verwacht en moet blijken of goederen, grondstoffen en kapitaal (de lage rente) zo goedkoop blijven.

Dat de `restauratie' van de jaren zeventig, de beleggershausse van ouder wordende baby-boomers en de technologische omwenteling bovendien zo'n beetje samenvallen, maakt het vrijwel onmogelijk om nu al een inschatting te maken van de daadwerkelijke invloed van de technologische revolutie op de prestaties van de economie. Zeker omdat in het grootste deel van de wereld de empirie van de Nieuwe Economie nog op zich laat wachten.

Dat er toch een flinke en wassende aanhang is voor de Nieuwe Economie lijkt vooralsnog dan ook geen kwestie van weten, maar van willen. De doorbraak van pc, gsm, Internet en alles wat er in de naaste toekomst nog over de ondernemer en de consument zal worden uigestort, leidt op dit moment tot een groeiend vooruitgangsgeloof. Dat is niet eens zo onvergelijkbaar met wat er een eeuw geleden ook plaatsvond, toen de laat-Victoriaanse wereldtentoonstellingen de nieuwste snufjes vertoonden van menselijke inventiviteit.

Ook tijdens dit fin-de-siècle gaan, net als destijds, de discussies in de regel over wat er straks allemaal wel of niet kán. Is er het gedesoriënteerde gevoel dat elke deelnemer aan een revolutie bevangt. Sommige ontwikkelingen zijn veel sneller en succesvoller dan de meest rooskleurige scenario's voor ogen hadden: kijk naar de gsm-telefoontjes, naar de in- en verkoopactiviteiten van bedrijven onderling via het Internet, naar de beurshandel die zich er razendsnel naar toe verplaatst.

Aan de andere kant zijn er de honderden miljarden die in de Internet-revolutie zijn geïnvesteerd en belegd, en zichzelf eerst maar eens moeten zien terug te verdienen. Wil de eerste dot.com-onderneming die daadwerkelijk winst maakt opstaan? Kan iemand al ondubbelzinnig aantonen dat adverteren op Internet überhaupt iets oplevert?

Het is goed mijmeren over de mogelijkheden die in het verschiet liggen. Het is net zo goed te blijven onderscheiden waar de demand-pull van de consument ophoudt, en de technology-push van de wolkenridders begint. Voor de inschatting van de Nieuwe Economie is het, kortom, goed te blijven inventariseren wat er daadwerkelijk succes heeft. Voordat straks met een harde klap de bodem onder het vooruitgangsgeloof wegvalt.