Peking straft vier leiders Falun Gong

China heeft gisteren vier leiders van de verboden geloofsbeweging Falun Gong veroordeeld tot straffen van twaalf tot achttien jaar.

Volgens een gerechtshof in Peking zijn de vier schuldig aan het organiseren van een sekte die mensen heeft misleid en de dood heeft ingejaagd. Voorts zouden zij staatsgeheimen openbaar hebben gemaakt. Het zijn de hoogste straffen die religieuze of politieke dissidenten in de afgelopen tien jaar in China zijn opgelegd.

De rechtszaak in Peking was het belangrijkste proces tegen aanhangers van de Falun Gong sinds het verbod op de religieuze beweging vijf maanden geleden. De veroordeelden waren allen lid van de partij en hadden stuk voor stuk hoge posities binnen de overheid.

Falun Gong is een spirituele theorie die de traditionele Chinese qigong – ademhalings- en bewegingstechnieken – combineert met elementen uit het boeddhisme en taoïsme. Maar volgens de Chinese autoriteiten is de beweging een bedreiging voor de mensheid en staatsgevaarlijk. De onorthodoxe denkbeelden van de Falun Gong, met name de overtuiging dat ziekten verholpen kunnen worden zonder medische hulp van buitenaf, zouden tot de dood van meer dan 1.400 mensen hebben geleid.

De Chinese regering besloot de beweging te verbieden en verscherpte, door middel van aangepaste wetgeving, de controle op `religieuze culten die de staat ondermijnen'.

Het offensief dat de Chinese autoriteiten hebben ontketend tegen de volgelingen van Li Hongzhi, de in de Verenigde Staten woonachtige spirituele leider van de Falun Gong, is echter eerder het gevolg van het karakter en de omvang van de aanhang van de beweging dan van de vermeende misdaden die haar leiders zouden hebben begaan. Volgens sterk uiteenlopende schattingen van de overheid hebben zich tussen de twee en zeventig miljoen Chinezen aangesloten bij de groepering. Het merendeel van die aanhang is te vinden binnen de geledingen van de communistische partij.

De vier veroordeelden vervulden hoge functies binnen het Chinese staats- en partijbestel. Een van hen, Li Chang, had een leidinggevende positie binnen het ministerie van Openbare Veiligheid. De andere drie werkten voor het ministerie van Spoorwegen, een staatsbedrijf in metalen en een onroerendgoed-bedrijf van de overheid.