Niemand zal ontkennen dat Srebrenica een ramp was

Vroeger gebeurde dat soms wanneer je na het voetballen naar huis fietste. Je kwam iemand tegen die je toeriep dat je wáárdeloos was en je club ook en dat hij net zwaar verdiend van jouw club had gewonnen. Je wist dat die jongen niet tegen jouw elftal had gespeeld maar een veld verderop een andere wedstrijd had gewonnen. Maar toch was het in zo'n geval moeilijk de schouders op te halen en zwijgend door te fietsen, zeker als je die jongen kende als een sterke speler.

Iets van dat type emotie kwam in me op bij lezing van het artikel `Srebrenica past geen relativering' van dr. Maarten C. Brands, dat vrijdag 24 december op deze pagina te lezen was. Brands reageert boos op mijn opiniestuk van woensdag daarvoor over het zogeheten Feitenrelaas aangaande Srebrenica, dat minister De Grave (Defensie) dinsdag openbaar had gemaakt. Hij verwijt me ruim vier jaar na Srebrenica niet meer aan de ,,in Nederland nog steeds beknelde discussie' bij te dragen dan ,,een zouteloze relativering van het Feitenrelaas in Haags perspectief.' En voegt daaraan toe: ,,De tragedie Srebrenica blijkt hier nog steeds niet in ware proporties gezien te kunnen worden. Daar zijn kennelijk ook voor deze krant meer dan vier jaar afstand voor nodig.'

Nu kan Brands weten dat de meningen van deze krant per hoofdartikel worden gegeven, en dat hij zijn verwijten dus te ruim adresseert. Maar die verwijten zelf zijn ook merkwaardig. Want in mijn stuk, dat uitdrukkelijk ging over het net gepubliceerde Feitenrelaas, werd de omvang van de tragedie in Srebrenica, zomer 1995, in het geheel niet gerelativeerd, dat was ook niet de bedoeling. Ik noteerde in dat stuk dat uit de getuigenverklaringen van het Feitenrelaas blijkt dat het aantal gevallen van wangedrag (bijvoorbeeld: seks, alcohol- en drugsgebruik, racistische incidenten) onder 450 jonge Dutchbat-militairen in een soort oorlogssituatie eigenlijk meevalt vergeleken met wat op dat punt in Nederland zelf te zien en te horen is. En dat de opwinding dáárover, die het zicht op hoofd- en bijzaken makkelijk kan bemoeilijken, dus een tikje overdreven is.

Dat laatste geldt te meer, mogelijk vindt Brands dat ook, waar het Nederlandse Srebrenica-debat zich sinds zomer 1995 vaak meer op zulke `bijzaken' lijkt te concentreren dan op zwaarderwegende kwesties. Bijvoorbeeld, zoals ook werd genoteerd, dat Dutchbat door regering en Tweede Kamer werd uitgezonden ondanks bezwaren die in de legertop bestonden tegen het veilige-havenconcept van de VN, onvoldoende bewapening en een tekortschietend mandaat. Ik noteerde voorts dat de pogingen van de landmachttop om gevallen van wangedrag te verhullen `fout' waren, maar na deze voorgeschiedenis en `het militaire echec' van Srebrenica ook enigszins te begrijpen. Wat niet hetzelfde is als goedkeuring van die pogingen, stond daar voor de zekerheid bij.

Brands verwijt me dat ik de Srebrenica-catastrofe niet heb beschreven als een van de grootste moordpartijen in Europa sinds 1945. Nu, bij deze: natuurlijk ben ik het over de betekenis van Srebrenica met hem eens. Wie niet trouwens? Maar het Feitenrelaas was er niet op gericht en ook niet nodig om dát vast te stellen. Misschien had Brands daarmee bij mijn ontmaskering enigszins rekening kunnen houden? Of ging het hem hier om ein kleines Mittel zum grösseren Zweck dan wel om een heel andere wedstrijd op een heel ander veld?

Brands begint zijn stuk namelijk met enkele regels die opgedragen lijken aan minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken), de man die waarschuwt dat wij het Nederlandse licht niet onder de korenmaat moeten zetten. Brands ziet Nederland daarentegen als een land dat zijn grootste talent heeft in het relativeren van groot naar klein, weinig begrip heeft voor grote zaken en als ,,zwakstroom-democratie die de hoge voltage van grote beslissingen slecht verdraagt.' Het heeft meestal hulp van `buitenaf' nodig om rampen op hun ware proporties te leren zien, schrijft hij.

Een interessante diagnose is dat, zeker ook waar zij afkomstig is van de wetenschappelijk directeur van het Duitsland Institituut van de Universiteit van Amsterdam. Maar, al heb ik nu dan toch iets teruggeroepen, een wedstrijd dáárover was ik vorige week niet begonnen, mijn wedstrijdje was op een ander veldje in onze zwakstroom-democratie. Het spijt me dat dàt de doorgewinterde polemist Brands is ontgaan, volgende keer tref ik ons graag weer op hetzelfde veld aan, en – als het kan en mag – liefst als medespelers.

J.M. Bik is redacteur van NRC Handelsblad.