Judas

Ik ben geen christen. Ook niet iets anders, maar mijn ouders zullen wel geprobeerd hebben een goed hindoe van me te maken. Het verhaal van Jezus leerde ik pas kennen toen ik al bijna vijftien was, dankzij de musical `Jesus Christ Superstar'. Het was de kerstfilm in Paramaribo en mijn vriendje Emile en ik wilden er naar toe. Emile was wel een christen, zijn vader had zelfs een eigen naamplaatje op een bank in de kerk van de Evangelische Broedergemeente, maar hij wist volgens mij meer van het hindoeïsme dan van het christendom. Hij ging namelijk altijd met mij mee naar de hindi-films uit Bombay, iedere zondag, sinds z'n vierde, en hij was geloof ik teleurgesteld toen hij hoorde dat Jezus maar twee armen had, in plaats van zes of acht zoals de goden van India.

Met Emile naar `Jesus Christ Superstar' gaan zag ik als een soort wederdienst. Hij had zo lang de verhalen van mijn voorouders getolereerd, dat het volgens mij tijd werd het verhaal van de zijne te leren kennen.

Maar hier beginnen de moeilijkheden al: Emile's voorouders waren slaven uit Afrika en zij hadden niet echt veel met Christus. Dat heeft hij zich later pas gerealiseerd, dat zijn afkomst Afrikaans was, en hij smeet daarop alle platen die hij van blanke zangers had het raam uit. Hij wilde uitsluitend luisteren naar Amerikaanse soulmuziek, wat ook al niet zo zuiver was, maar daar zeurde ik verder niet over. Wat ik wel vroeg, toen hij die heftige `roots-fase' doormaakte, was waarom hij dan niet ook het kruis dat hij aan zijn ketting droeg weggooide. Hij nam het kruis tussen de vingers en zei, met de meest ongenaakbare blik die hij had: dit is echt goud man.

We wilden dus naar `Jesus Christ Superstar', maar we hadden te weinig geld. Als we al onze kwartjes bij elkaar deden hadden we niet meer dan 1,75 gulden en een kaartje voor stalles kostte al een gulden, en je moest nog sigaretten hebben en geld voor een cola in de pauze.

Emile wist daar wel iets op, zei hij met de overtuigingskracht die hij van nature bezat, hij veegde de kwartjes in zijn hand en liep naar een bouwvallig huis op de hoek waar de grote jongens van de buurt rookten en gokten. Het was verboden terrein, door de brug over de sloot te betreden kon je al door de bliksem worden getroffen, maar ik had zo'n vertrouwen in Emile, en hij in zichzelf, dat bij mij pas het angstzweet uitbrak toen onze toch al kleine stapel kwartjes tijdens het razendsnelle kaartspelletje gevaarlijk begon te slinken. Ik liep het huis uit, onder het sombere besef dat ik `Jesus Christ Superstar' wel kon vergeten, maar een kwartiertje later kwam Emile parmantig grijnzend naar buiten met maar liefst twaalf gulden in zijn hand.

Ik vond het een schitterende film, Emile ook, en het leukste vonden we Judas. De rol van Judas werd in de musical gespeeld door een neger en ik begreep later dat daar veel drukte om was geweest in Amerika, maar volgens ons stal Judas de show compleet. Hij zong het best, danste geweldig, hij had de mooiste kostuums, nee, als we moesten kiezen tussen Jezus en Judas, dan wisten Emile en ik het wel. Wat een soulvolle, swingende man, vergeleken met dat magere, zenuwachtige scharminkel dat Jezus moest voorstellen. De kwestie van de verloochening begrepen we wel – geen enkele godsdienst legt zoveel nadruk op vriendschapsverraad – maar het tragische ervan ontging ons, omdat we Judas zo fantastisch vonden.

Emile en ik verloren elkaar uit het oog. Hij kwam eerder naar Nederland en was, toen ik hier kwam studeren, al behoorlijk veranderd. Hij was vernegerd, zal ik maar zeggen, hij was tégen blanken en vóór Afrikanen, die hij ineens als zijn voorouders zag. En hij was ook vóór een makkelijk leventje – iets te makkelijk misschien, want hij brak zijn studie af en ging in de handel van drugs.

Ik zag hem nog wel, zo nu en dan, en ik zag ook dat hij steeds meer veranderde en dat hij niet alleen handelde in het spul, maar het ook gebruikte. Hij raakte tenslotte in de gevangenis en sindsdien hebben we elkaar niet meer gezien.

Tot vorige week zondag. Ik stond een krant af te rekenen in een stationskiosk toen ik plotseling een hand voor mij zag. Met grote behendigheid toverde de hand een reep witte chocola uit de mouw van de suede winterjas en de stem zei: reken deze ook maar af. Het was zo filmisch als het klinkt. Ik volgde de arm naar boven en zag Emile voor mij staan.

Hij was nog verder veranderd. Zijn jukbeenderen leken een paar centimeters hoger te liggen, maar dat kwam doordat zijn wangen zo waren ingevallen. Hij was niet zwart meer, maar vreemd grijs. Zijn huid was kurkachtig, zijn ogen puilden uit, zijn lippen hadden dezelfde matheid als de rest van zijn gezicht en op zijn tanden had hij bruine vlekken. Maar zijn kleren waren stijlvol en ik merkte met een vluchtige blik het gouden kruis aan zijn ketting.

Verheugd over het weerzien kuste ik hem, maar hij deinsde terug, uit verlegenheid, dacht ik eerst. Maar dat was het niet. Hij liep een eindje met me mee in de richting van het perron en vertelde dat het slecht met hem ging. Hij had geen onderkomen, hij zwierf wat rond, sliep een keer bij een neef, de andere keer bij een zus. Hij had zich drie dagen niet kunnen wassen, daarom mocht ik hem niet kussen.

Hij was nog vele keren in de bak beland, hij zag het een beetje als een spel met de politie. Ze moesten hem per se hebben, ze sarden en pestten hem, en hij pestte natuurlijk terug, zo verklaarde hij zijn lot. Ik herkende dat anarchisme, hij had dat recalcitrante altijd al gehad. Alles wat gezag uitstraalde kon rekenen op zijn verweer, hoe onmachtig en kleinzielig dat ook was. Als hij vroeger een agent op straat zag, wachtte hij tot het licht op rood sprong om op te trekken met zijn fiets. Leraren, zedenprekers, ouders, ook ik moest het ontgelden toen hij in mij een representant van de brave orde begon te zien.

Mijn trein kwam eraan en ik weet wat ik op dat moment had moeten doen, maar ik deed het niet. Ik heb vrouw en kinderen en een keurig huis in een keurige omgeving, mijn burgerlijke leven kan het avontuur dat hij belichaamt niet aan en ik gaf hem, vlak voor ik op de trein stapte, nog een kus, om te demonstreren dat ik hem niet vies vond.