Eeuw van de economie

DE DEMONSTRANTEN die afgelopen maand in Seattle protesteerden tegen de liberalisering van de wereldhandel, hadden in één opzicht gelijk. De arcadische gemeenschap van economische zelfvoorziening heeft plaatsgemaakt voor internationale verwevenheid, grenzeloze marktkrachten en economische integratie. De greep van overheden op financiële en economische ontwikkelingen is verminderd, nationale economieën kunnen zich niet langer afschermen tegen invloeden van buitenaf. Deze opmars van de `globalisering', een wereld waarin grenzen tussen landen, bedrijfstakken, markten en zelfs tussen werken en vrije tijd vervagen, roept tegenbewegingen op. De rellen in Seattle tijdens de WTO-bijeenkomst waren hiervan een massale uiting in een land dat als geen ander van de globalisering profiteert.

Deze eeuw heeft extremen meegemaakt. De economische politiek bewoog zich van het klassieke Manchester-liberalisme langs de totalitaire ideologieën naar overheidsinterventie, de sociale verworvenheden van de verzorgingsstaten en ten slotte naar de herwaardering van de vrije markt, ondernemerschap en integratie. Tegelijkertijd doet zich een scheiding voor tussen economieën, mensen en sociale klassen die deelgenoot zijn aan de welvaartsschepping of die uitgesloten blijven. Tegenover de ostentatieve rijkdom aan deze kant van de streep staat dat de helft van de zes miljard wereldbewoners die leven van minder dan twee dollar per dag.

Drie of vier grote, samenhangende schokken hebben het economische beeld van deze eeuw bepaald. De eerste was een uitvloeisel van het verdrag van Versailles waarmee Duitsland onmogelijke herstelbetalingen werden opgelegd. Al in 1919 waarschuwde John Maynard Keynes in The economic consequences of the Peace dat deze schraapzucht van de overwinnaars dramatisch zou aflopen. Keynes' reputatie als een van de grote economen van deze eeuw werd in 1936 bekrachtigd met de publicatie van The General Theory, waarin hij als remedie tegen de depressie de mechanismen van de vraageconomie blootlegde.

Toen had de communistische machtsgreep in Rusland al geleid tot een economisch experiment waarbij grondstoffen en miljoenen mensen naar willekeur vernietigd werden. Als andere uiterste maakte de Amerikaanse beurskrach van 1929 een einde aan het optimisme van de technologische doorbraken uit die tijd – de elektriciteit, de verbrandingsmotor, de auto. Een decennium van naar binnen gerichtheid, uitsluiting en een benedenwaartse spiraal van krimpende economieën, kortom de `grote depressie', was het gevolg. Er was nog een schok, die hiermee in economische zin rechtstreeks verband hield: de opkomst en ondergang van het Duitse nazisme.

NA DE TWEEDE WERELDOORLOG leidden deze gebeurtenissen tot diametraal verschillende ontwikkelingen. Oost-Europa kwam onder de invloedssfeer van het Sovjet-model van de commando-economie. In West-Europa ontwikkelde zich de verzorgingsstaat en in de Verenigde Staten was sprake van een succesvolle omschakeling op een economie van massaproductie van consumentengoederen. Tegelijkertijd deed zich de dekolonisatie voor in wat voortaan als ontwikkelingslanden bekend kwam te staan en ontpopte Japan – later gevolgd door enkele andere Aziatische landen – zich als een alternatief model van industriegeleide groei.

Overal kreeg de overheid de rol toebedeeld als de spil van de economische ontwikkeling. De `gemengde economie' beoogde een antwoord te geven op de traumatische ervaringen van de depressie en de Tweede Wereldoorlog en op de aantrekkingskracht van de – ogenschijnlijke – communistische verworvenheden. Met succes: de wederopbouw, de verzorgingsstaat en de verbetering van de levensstandaard gingen hand in hand. In de loop van de jaren zeventig begon dit model te haperen. Deels als gevolg van de oliecrises en van de loslating van de wisselkoersstabiliteit die het stelsel van Bretton Woods na 1945 had gebracht, deels doordat de grenzen van de overheidsbemoeienis met de economie waren bereikt. De keynesiaanse fijnafstemming van de macro-economie werkte niet meer, overheidstekorten namen toe, evenals inflatie en werkloosheid.

De Westerse economieën stonden voor een omslag, waarbij de greep van de overheden op de controlekamer van de economie geleidelijk plaatsmaakte voor het ideologische en praktische primaat van de markt. De eclatantste illustratie hiervan was de val van de Muur en de implosie van de Sovjet-Unie, maar dat was niet meer dan een element van een ontwikkeling die zich gelijktijdig in de hele wereld voltrok. De aanbodeconomie – verbetering van de werking van de markten voor arbeid, goederen en kapitaal in plaats van stimulering van de vraag – maakte opgang. Liberalisatie van de handel en van de kapitaalmarkten, privatisering van staatsbedrijven, markttoegang, lastenverlichting en een `terugtredende' overheid begonnen in Thatchers Groot-Brittannië en Reagans Verenigde Staten, maar sloegen over naar Oost-Europa, Latijns Amerika en de continentale Europese landen inclusief Nederland. Niet alle landen vergaat deze omschakeling even gelukkig: de ex-Sovjet-landen zijn weggegleden in een soort gangstereconomieën en het optimisme van de snelle groeiers in Zuidoost-Azië is door de amorele kapitaalmarkten meedogenloos afgestraft.

Het tijdperk van het innovatieve kapitalisme volgens Joseph Schumpeters `creative destruction' brak aan. Twee nieuwe ontwikkelingen speelden hierop in: de zwaartekracht trotserende stijgingen van de effectenbeurzen (en in onder meer Nederland: van de huizenprijzen) dankzij de herwaardering van het ondernemerschap, de lage inflatie en de lage rente. En ten tweede de duizelingwekkende opkomst van de informatie- en communicatietechnologieën die de basis vormen voor het verschijnsel van de `nieuwe economie'. Internet en draadloos bellen hebben gezorgd voor een derde, postindustriële revolutie die in minder dan tien jaar de economische wetmatigheden op hun kop heeft gezet.

AAN HET EINDE van deze geïdeologiseerde eeuw gaat het grote delen van de wereldbevolking in materiële zin beter dan ooit. Maar doordat de rijke diensteneconomieën bezig zijn aan een economische tempoversnelling, slagen achterblijvers ondanks hun inspanningen er niet in de kloof te dichten. Dat is de paradox. De markt heeft getriomfeerd over het collectivisme; het liberale economische model, open samenlevingen en individuele vrijheid bieden de beste perspectieven op welvaartsverbetering. Maar landen die niet kunnen aanhaken, ook al door hun bevolkingsgroei, blijven steeds verder achter in relatieve armoede. Dit vormt de grootste bedreiging van het economische stelsel in de 21ste eeuw. Tegelijkertijd blijft de nieuwe economie ongekende beloftes bieden voor versnelling van de welvaartsgroei voor toekomstige generaties.