Een verlicht sportman

Vanzelfsprekend is Muhammad Ali de belangrijkste sportman van de afgelopen eeuw. Geen twijfel mogelijk. Weliswaar een bokser, maar niet zomaar een bokser. Hij was geen bokser die er nadrukkelijk op uit was om tegenstanders te verwonden, zonodig te vermoorden. Hij haalde – en hield lange tijd – de bokssport uit de greep van de onderwereld. Een man met gevoel voor stijl en sportiviteit. Een zachte man die zijn jeugdige spontaniteit nooit verloor, en nooit zal verliezen.

Nu is hij 57 jaar en nog steeds een kind. Zoals hij de laatste weken op de podia van de wereld stond, trots maar aandoenlijk bevend als gevolg van de ziekte van Parkinson en de klappen die hij op zijn hoofd moest toestaan, is hij de verpersoonlijking van de strijd die zwarte sporters de laatste honderd jaar leverden om erkenning te krijgen. Een hulpbehoevende, af en toe afwezige man die straalt van geluk en dankbaarheid wanneer hij weer eens aandacht krijgt.

Zo erg is het allemaal niet, laat Ali voortdurend weten. Hij is immers in goede handen bij zijn vierde echtgenote en jeugdvriendin Lonnie, en vooral bij Allah. Hij is ervan overtuigd dat hij in vrede zal sterven. Sinds hij zich in 1964 officieel verbond aan de Nation of Islam en de naam Muhammad Ali aannam, is hij er zeker van. Cassius Marcellus Clay was zijn doopnaam, maar een naam die hem herinnerde aan de slavendrijver Clay, de man die zijn grootvader een naam gaf. De naam Ali staat voor vrijheid, een naam om uit te dragen.

Wie zich niet het vreselijke gevecht herinnert dat Cassius Clay in februari 1964 leverde tegen de maffia-handlanger Sonny Liston, moet het fenomenale boek King of the World van sportjournalist David Remnick lezen. Hoe Liston in wanhoop zijn handschoenen liet insmeren met een giftig goedje om Clay in zijn ogen te smeren en zo te verblinden. Hoe Clay zich daaruit bevrijdde en met ongelooflijke wraaklust Liston zowaar bijna doodsloeg. Clay werd wereldkampioen en hij dankte met ogen die verlichting uitstraalden Allah voor zijn hulp. Elijah Muhammad, net als Ali's andere vriend Malcolm X een van de predikers van de Black Muslims, had voor het gevecht met hem gebeden. Vandaar de verlichting.

Ali kwam niet als de meeste zwarte boksers uit een arm milieu. Zijn vader was een reclameschilder, hoewel ook een zuipschuit, en zijn moeder was niet helemaal zwart. Middenklasse dus. Maar Louisville, Kentucky, was in de jaren vijftig wel een stad waarin rassendiscriminatie gewoon was. Ali ervoer hoe zijn vader Cassius, moeder Odessa, broer Rudolph en hijzelf tot op het bot werden beledigd. Ali voelde het, maar bleef een optimistisch kind. Totdat zijn fiets werd gestolen. Als hij de dader vond zou hij hem op zijn bek slaan, zei hij tegen de politie. En zo werd hij door een politieman geschoold tot bokser, een boze jongen die op een beheerste manier duidelijk kon maken dat fietsen stelen niet eerlijk is.

Een jongen met gevoel voor dramatiek is hij altijd geweest. Praten, uitdagen en dichten – hoewel lange tijd analfabeet – kon hij als de beste. Al vanaf zijn eerste gevecht als twaalfjarige, zei hij tegen iedereen dat hij de beste van de wereld werd. Bij de eerste kus die hij als puber van een meisje kreeg, viel hij flauw. Maar hij werd wel olympisch en wereldkampioen, zoals hij had voorspeld. Op een manier die niet des boksers is. Stijlvol, snel, superieur en ervan overtuigd dat zijn manier van vechten een rechtvaardige en vooral altijd een sportieve was. Zelfs mensen die boksen zien als barbarij, hebben genoten van Muhammad Ali en Cassius Clay.