De Harz 2

En zo stonden we zonder sleutel voor het huis van mijn vriend, de deur op slot, de buren afwezig, zodat wij geen mogelijkheid hadden om te na te gaan of er was ingebroken. De enig nog bereikbare sleutel was in het bezit van de hulp, die elke week vanuit Schagen overkwam om het huis schoon te maken.

Er zat niets anders op: mijn vriend ging de sleutel in Schagen halen, maar eerst zou hij mij thuis afzetten. Toen ik binnenkwam, mijn jas uitdeed, de koffer voorlopig nog onuitgepakt neerzette en met een zucht achter mijn bureau plaats nam, bemerkte ik dat er nog een belangrijke brief lag die ik in de haast van vertrek vergeten had te versturen. Dat kwam goed uit. Ik deed mijn jas weer aan, deed de brief op de bus en maakte nog een kleine wandeling. Daarna ging ik aan het werk. Niets is heerlijker dan te werken in de tijd die je zo maar extra hebt gekregen. Het voelde als een kleine overwinning op de dood.

Aan het eind van de middag belde mijn vriend. De hulp in Schagen had vreemd opgekeken. ,,Wat doe jij hier'', had ze gevraagd. ,,Wandelen in de Harz'', had mijn vriend geantwoord. Maar nu was hij thuis. Er was niet ingebroken, maar toch was hij er niet helemaal gerust op, want zojuist was er gebeld door iemand die na het horen van zijn stem de hoorn weer op de haak had gegooid. Alles bij elkaar leek het hem toch verstandiger morgen een nieuw slot op de deur te laten zetten. Maar 's avonds belde mijn vriend opnieuw. Een oplettende buurvrouw had de sleutel in de brievenbus zien hangen. Alles was gered, niets aan de hand, morgenochtend zou mijn vriend opnieuw voor mijn deur staan.

Toen wij de volgende dag de Duitse grens gepasseerd hadden, haalde ik de kaart te voorschijn om eens te kijken waar de Harz nu eigenlijk lag. Het bleek niet eens zo ver weg te zijn: even voorbij Hannover en dan naar het zuiden, richting Göttingen. ,,Dat is een oud universiteitsstadje'', zei ik tegen mijn vriend, ,,waar Immanuel Kant nog heeft gewoond en waar hij elke dag met zijn hondje dezelfde wandeling maakte. Daar moeten wij eens een kijkje gaan nemen.''

Toen wij Hannover achter ons lieten, viel de duisternis over het landschap en waaiden de eerste sneeuwvlokken tegen het voorruit. De weg begon kronkelend te stijgen en in het licht van de koplampen zagen wij hoe we door een wit besuikerd dennenbos reden. Ergens tussen Wernigerode en Braunlage kwamen wij terecht in een hotel dat Drei Annen heette. Wij waren de enige gasten, hoewel er de volgende dag ook nog een echtpaar arriveerde met een verbeten jagershondje, dat naar je broekspijpen hapte als je samen in de lift stond. Het raam van mijn kamer keek uit op een ondergesneeuwd stationnetje, waar af en toe een geërfde Oost-Duitse stoomlocomotief onder veel gesis tot stilstand kwam.

Het hotel bleek midden in een beschermd natuurgebied te liggen. De wandeling die wij de volgende dag maakten, was sprookjesachtig. Het landschap toonde maagdelijk wit, wat betekende dat de paden onzichtbaar waren en men zich op goed geluk een weg diende te banen. Mijn vriend deed dat zeer energiek, zodat ik hem meestal honderd meter voor mij uit door de sneeuw zag ploeteren. Kortom, twee mannen in de sneeuw, van wie de één zich het islamitische vrouwtje voelde dat op eerbiedwaardige afstand moet volgen.

De derde dag bezochten wij Göttingen. In de plaatselijke boekhandel vond ik een boekje over Goethe in Göttingen, over Lichtenberg in Göttingen en over Heine in Göttingen, maar over Kant in Göttingen was er niets bij. Bladerend in alle indexen en mij afvragend hoe het in godsnaam mogelijk was dat al die schrijvers Kant over het hoofd hadden gezien, realiseerde ik mij dat Kant niet in Göttingen had gewoond, maar natuurlijk in Königsberg.

,,Haha!'', zei mijn vriend, ,,dat krijg je de komende vijfentwintig jaar te horen.''

's Avonds speelde wij een partijtje schaak op de kamer. Mijn vriend zette zijn dame op een veld, maar probeerde daarna van een ander veld mijn dame te slaan. Althans volgens mij.

Hij dacht daar anders over en pakte bord en stukken bij elkaar. De volgende dag reden wij zwijgend terug naar Nederland, een brouille van een jaar of tien tegemoet.